Externe en interne veiligheid : wanneer weten niet genoeg is om je veilig te voelen
Externe en interne veiligheid: wanneer weten niet genoeg is om je veilig te voelen
Veiligheid begint niet alleen bij de wereld om ons heen
Wat als veiligheid niet alleen betekent dat de wereld om je heen veilig moet zijn, maar ook dat je voldoende veiligheid in jezelf kunt ervaren om aanwezig te blijven bij wat er in jou gebeurt? We hebben allemaal behoefte aan een omgeving waarin we ons gerespecteerd, beschermd en welkom voelen. Wanneer er werkelijk gevaar is, is het belangrijk dat we dat erkennen en onze omgeving zo veilig mogelijk maken. Externe veiligheid doet ertoe. We kunnen niet van iemand verwachten dat die zich veilig voelt in een situatie waarin grenzen worden overschreden of waarin er daadwerkelijk gevaar dreigt. Tegelijkertijd weten we dat een veilige omgeving niet automatisch betekent dat we ons ook veilig voelen. Soms is er om ons heen niets aan de hand, terwijl ons lichaam reageert alsof we ons moeten beschermen. En soms bevinden we ons in een spannende of onzekere situatie en kunnen we toch voldoende vertrouwen ervaren om erbij te blijven. Dat verschil tussen de veiligheid die de omgeving biedt en de veiligheid die we vanbinnen ervaren, vind ik bijzonder boeiend.
Wanneer de buitenwereld niet meer veilig lijkt
Op de school waar mijn jongste zoon studeert, zijn er bijvoorbeeld ruimtes die alleen toegankelijk zijn voor meisjes en vrouwen. De school wil op die manier een plek creëren waar vrouwelijke studenten zich veiliger kunnen voelen tussen de vele mannelijke studenten. Hij studeert ICT, een richting waarin de verhouding tussen mannen en vrouwen nogal scheef ligt. Ik begrijp de behoefte aan zo’n plek. Wanneer je je ergens niet veilig voelt, kan het heel helpend zijn wanneer je omgeving daar rekening mee houdt en ruimte creëert waarin je wat meer kunt ontspannen.
Tegelijkertijd zette het mij aan het denken over wat veiligheid eigenlijk betekent. Want hoewel een veilige plek een belangrijk verschil kan maken, is veiligheid niet uitsluitend iets wat de buitenwereld ons kan bieden. We dragen allemaal ervaringen met ons mee die invloed kunnen hebben op de manier waarop we de wereld waarnemen. Soms reageert ons lichaam op een gevaar dat zich op dat moment werkelijk voordoet. Dan is het belangrijk dat we die signalen serieus nemen en onszelf beschermen. Maar soms is het gevaar al lang verdwenen, terwijl ons lichaam nog reageert alsof het ieder moment opnieuw kan opduiken. De situatie is veranderd, maar onze innerlijke beleving heeft die verandering nog niet helemaal kunnen volgen.
Ik heb dat zelf heel sterk ervaren toen ik zestien was. Ik was op kamp met de Chiro en op een avond stond er een nachtspel op het programma. Ik voelde me als een vis in het water. Het donker, het niet goed kunnen zien en de spanning van het spel maakten het juist leuk. Ik had me die avond heerlijk geamuseerd. Tot we na afloop weer samenkwamen en ontdekten dat een van de meisjes ontbrak. De leiding raakte in paniek en we gingen met z’n allen zoeken. Uiteindelijk vonden we haar tussen de struiken, helemaal onder het bloed. Althans, zo leek het. Achteraf bleek het rode verf te zijn.
Maar dat wist mijn lichaam op dat moment nog niet.
In een fractie van een seconde veranderde de hele avond. Dezelfde schaduwen waar ik eerder met plezier doorheen was gelopen, leken plots mannen met kwade bedoelingen te verbergen. Alles wat daarvoor spannend en leuk was geweest, kreeg een heel andere betekenis. Mijn lichaam schoot in een toestand van pure paniek en ik wilde alleen nog maar weg. De leiding sprong in een gracht vol brandnetels om zich te verstoppen. Mij verstoppen lukte niet. Samen met twee andere meisjes ben ik naar het heem gespurt. Ik wist niet dat ik zo snel kon lopen en ondertussen nog twee meisjes kon meetrekken.
Toen we aankwamen, stond de hoofdbegeleidster rustig soep te maken. Ze raakte ook niet in paniek toen ze ons zag. Ergens in mij ontstond onmiddellijk het gevoel dat er iets niet klopte. Ik vroeg of het misschien allemaal in scène was gezet. Dat bleek inderdaad zo te zijn. De situatie was bedacht als onderdeel van het spel, en het meisje was niet werkelijk gewond. Zodra ik dat begreep, kalmeerde ik vrijwel onmiddellijk. De externe veiligheid was hersteld. Er was geen gevaar geweest.
En toch bleef ik jarenlang bang in het donker.
Wanneer je hoofd iets anders weet dan je lichaam
Dat vond ik achteraf bijzonder. Mijn verstand wist dat er niets was gebeurd. Ik wist dat het een spel was geweest en dat de mannen die ik in de schaduwen meende te zien, helemaal niet bestonden. Toch reageerde mijn lichaam in het donker alsof er nog altijd gevaar kon opduiken. Ik kon mezelf wel vertellen dat er niets aan de hand was, maar daarmee verdween de angst niet. Mijn verstand had de situatie begrepen, terwijl mijn lichamelijke reactie blijkbaar een eigen spoor was gaan volgen.
Dat is iets wat we ook in andere situaties kunnen herkennen. Je kunt bijvoorbeeld weten dat iemand het goed met je voorheeft en toch gespannen raken wanneer die persoon een bepaalde toon aanslaat. Je kunt begrijpen dat je op je werk niet meer in dezelfde omstandigheden zit als vroeger en toch een sterke angst voelen wanneer iemand kritiek geeft. Of je kunt jezelf vertellen dat je niet langer afhankelijk bent van de goedkeuring van anderen, terwijl je lichaam zich onmiddellijk aanspant zodra iemand ontevreden lijkt. Het hoeft niet te betekenen dat er op dat moment werkelijk gevaar is, maar het betekent evenmin dat je reactie onzin is. Er gebeurt iets in jou dat aandacht verdient.
Wanneer we zo’n reactie uitsluitend met ons verstand proberen te veranderen, lopen we soms vast. We leggen onszelf uit waarom we niet bang hoeven te zijn, proberen rationeel naar de situatie te kijken of vinden dat we er inmiddels toch overheen zouden moeten zijn. Maar weten dat iets veilig is, is niet hetzelfde als je veilig voelen. En hoe harder we proberen een reactie weg te redeneren, hoe gemakkelijker we voorbijgaan aan wat er op dat moment werkelijk in ons gebeurt.
Pas toen ik via lichaamsgericht traumawerk met mijn ervaring uit de Chirotijd aan de slag ging, veranderde er iets. Niet doordat ik mezelf opnieuw vertelde dat het donker veilig was. Dat wist ik immers al. Er gebeurde iets anders: er kwam ruimte om de ervaring op een andere manier te benaderen, met aandacht voor wat er in mijn lichaam gebeurde. Ik hoefde mijn angst niet simpelweg weg te duwen of mezelf ervan te overtuigen dat ik me niet zo moest aanstellen. Ik kon er met meer aandacht bij blijven, in omstandigheden waarin voldoende veiligheid aanwezig was om te voelen wat er speelde.
Vandaag kan ik in het donker blijven, ook wanneer het spannend wordt. Het donker zelf is niet veranderd. Wat veranderd is, is mijn vermogen om erbij te blijven. Dat betekent niet dat ik nooit meer schrik of dat mijn lichaam voortaan altijd rustig blijft. Het betekent dat de oude angst niet langer op dezelfde manier bepaalt wat ik kan doen.
Voor mij maakt dat een belangrijk onderscheid zichtbaar. Veiligheid hoeft niet te betekenen dat er nooit meer iets gebeurt wat ons uit evenwicht brengt. Ze hoeft ook niet te betekenen dat we ons altijd rustig of comfortabel voelen. Misschien gaat veiligheid er eerder over dat we gaandeweg meer ruimte kunnen ervaren om aanwezig te blijven bij wat er in ons gebeurt, ook wanneer dat spannend, ongemakkelijk of onzeker is.
Externe veiligheid en interne veiligheid horen bij elkaar
We kunnen externe en interne veiligheid dus niet zomaar tegenover elkaar zetten. Het is niet de bedoeling dat we onszelf leren om ons in elke situatie veilig te voelen, ongeacht wat er om ons heen gebeurt. Dat zou ons juist kunnen afleren om signalen van werkelijk gevaar serieus te nemen. Soms hebben we afstand nodig, moeten we een grens stellen of moeten de omstandigheden veranderen voordat er voldoende veiligheid kan ontstaan. Een veilige omgeving creëren is dan geen omweg, maar een noodzakelijke eerste stap.
Tegelijkertijd kan zelfs een zorgvuldig gecreëerde veilige omgeving niet garanderen dat iedereen zich er ook veilig zal voelen. Iemand kan in een rustige ruimte zitten, omringd door vriendelijke mensen, en toch gespannen blijven. Misschien herinnert iets aan een eerdere ervaring, misschien is er iets in de houding van een ander dat onbewust een oude reactie oproept, of misschien is het lichaam eenvoudigweg nog niet gewend aan de rust die er nu is. We hoeven niet meteen te weten waar zo’n reactie vandaan komt om haar serieus te nemen. Het kan al een verschil maken wanneer we niet alleen kijken naar wat er buiten ons gebeurt, maar ook nieuwsgierig worden naar wat die situatie in ons teweegbrengt.
Dat is voor mij een van de waardevolle aspecten van lichaamsgericht traumawerk. We beginnen niet bij de veronderstelling dat iemand zich anders moet voelen, maar bij de vraag wat er werkelijk gebeurt. Is er voldoende externe veiligheid? Zijn er grenzen nodig? Is er iets in de omgeving dat aangepast moet worden? En wanneer daar voldoende ruimte voor is, kunnen we ook aandacht geven aan wat er vanbinnen gebeurt. Misschien reageert het lichaam nog op iets wat allang voorbij is. Misschien is er een gevoel dat lang geen ruimte heeft gekregen. Of misschien weet iemand nog helemaal niet wat er precies speelt, maar is er wel een lichamelijke gewaarwording die we rustig kunnen onderzoeken.
Daarom begin ik in een traject of in mijn opleiding lichaamsgericht traumawerk bij veiligheid. Niet omdat alles eerst volkomen veilig moet zijn voordat we iets mogen voelen, maar omdat er voldoende veiligheid nodig is om ons open te kunnen stellen voor wat zich aandient. Dat is geen kwestie van iemand ervan overtuigen dat die veilig is. Het gaat erom ruimte te creëren waarin iemand zelf kan ervaren wat er gebeurt, wat helpend is en waar de grenzen liggen. Interne veiligheid groeit niet noodzakelijk doordat we onszelf de juiste woorden vertellen, maar kan groeien door ervaringen waarin we merken dat we mogen voelen, dat we kunnen vertragen en dat we niet over onszelf heen hoeven te stappen.
Wat heb je nodig om je een beetje veiliger te voelen?
Misschien herken je zelf ook situaties waarin je lichaam sterker reageert dan je verstand begrijpt. Je weet dat je niets verkeerd hebt gedaan, maar toch voel je spanning wanneer iemand je aanspreekt. Je weet dat je inmiddels volwassen bent en je eigen keuzes mag maken, maar merkt dat je bij bepaalde mensen nog altijd automatisch rekening houdt met wat zij ervan zullen vinden. Of je komt ergens binnen waar iedereen vriendelijk is en voelt toch de neiging om je terug te trekken. Misschien probeer je jezelf dan gerust te stellen, je reactie te verklaren of zo snel mogelijk weer normaal te functioneren.
Wat zou er gebeuren als je op zo’n moment niet meteen probeert om je reactie te veranderen? Als je eerst eens stilstaat bij wat er werkelijk in je gebeurt, zonder jezelf te veroordelen omdat je je zo voelt? Je kunt je afvragen wat je op dat moment nodig hebt om je een klein beetje veiliger te voelen. Misschien is dat afstand, misschien nabijheid. Misschien heb je beweging nodig, rust, een duidelijke grens, de natuur of iemand bij wie je je kunt ontspannen. En soms is het antwoord nog helemaal niet duidelijk. Ook dan hoef je niet onmiddellijk een oplossing te vinden.
Ik vind het belangrijk dat we veiligheid niet veranderen in een nieuwe opdracht waaraan we moeten voldoen. We hoeven niet voortdurend te controleren of we ons wel veilig genoeg voelen, net zoals we niet iedere lichamelijke reactie moeten analyseren om te ontdekken wat ze betekent. Soms is het voldoende om even op te merken dat er iets in ons beweegt en onszelf daar niet meteen van weg te leiden. En soms vraagt een situatie juist om handelen, om hulp te zoeken of om afstand te nemen. Ook dat hoort bij goed voor jezelf zorgen.
Misschien begint interne veiligheid niet op het moment waarop we nergens meer bang voor zijn, maar wanneer we onszelf niet langer in de steek hoeven te laten zodra er angst, spanning of onzekerheid ontstaat. Wanneer we niet meteen moeten bewijzen dat er niets aan de hand is, maar ruimte mogen maken voor wat we ervaren en van daaruit kunnen ontdekken wat nodig is. De buitenwereld hoeft daarvoor niet altijd perfect te zijn. Maar ze moet wel voldoende veilig zijn om ons toe te laten die ruimte te onderzoeken.
Uiteindelijk gaat het voor mij dus niet om de keuze tussen externe en interne veiligheid. We hebben beide nodig, al verschilt het van persoon tot persoon en van situatie tot situatie hoe die twee zich tot elkaar verhouden. De omgeving kan ons beschermen en ruimte bieden. En van daaruit kunnen we misschien steeds meer ervaren dat we ook vanbinnen iets kunnen opbouwen waarop we mogen steunen. Niet de zekerheid dat we nooit meer bang zullen zijn, maar de mogelijkheid om bij onszelf te blijven wanneer er iets in beweging komt.
Misschien is dat wel een van de mooiste vormen van veiligheid: niet dat er nooit meer iets gebeurt wat ons raakt, maar dat we onszelf niet langer hoeven kwijt te raken wanneer het gebeurt.
Wanneer controle veiligheid moet brengen
Wanneer controle veiligheid moet brengen
Vertrouwen in wat zich wil ontvouwen
We denken vaak dat controle ons veiligheid brengt. Als we vooruitdenken, mogelijke risico’s inschatten en problemen proberen te voorkomen, voelen we ons beter voorbereid op wat er kan gebeuren. We hebben het gevoel dat we de situatie in handen hebben en dat we minder snel verrast zullen worden door iets waarop we niet gerekend hadden. En soms werkt dat ook. Vooruitdenken kan een grote kwaliteit zijn, zowel in ons persoonlijke leven als in ons werk. Alleen kan er ongemerkt iets verschuiven. Wat eerst een manier was om met de werkelijkheid om te gaan, wordt dan een poging om de werkelijkheid zo te organiseren dat we ons veilig kunnen voelen. We willen niet alleen voorbereid zijn op wat er komt, maar liefst ook voorkomen dat er iets gebeurt waarop we niet voorbereid zijn. En precies daar kan controle ons steeds meer in haar greep krijgen.
Wanneer vooruitdenken een manier wordt om je veilig te voelen
Ik herken die beweging heel goed in mezelf. Ik ben opgegroeid met een moeder die het moeilijk vindt om op het leven te vertrouwen en daarom graag de dingen onder controle houdt. Als je van jongs af aan meekrijgt dat je beter vooruitdenkt, risico’s vermijdt en probeert te voorkomen dat er iets misgaat, kan dat zo vanzelfsprekend worden dat je er nauwelijks nog bij stilstaat. Je doet wat nodig lijkt om de zaken goed te laten verlopen. Je denkt vooruit, houdt rekening met allerlei mogelijkheden en probeert problemen op te lossen voordat ze zich werkelijk aandienen. Pas later besef je misschien dat je niet alleen aan het organiseren bent, maar ook voortdurend op zoek bent naar de zekerheid dat het wel goed zal komen.
In mijn professionele leven bleek die aangeleerde manier van kijken zelfs een grote kwaliteit te zijn. Als Supply Chain Director was ik degene die graag alle scenario’s overzag. Ik dacht vooruit, zag mogelijke valkuilen en had vaak al een oplossing klaar voordat anderen doorhadden dat er ergens een probleem dreigde te ontstaan. Ik kon snel schakelen en werd daar ook voor gewaardeerd. Mijn baas en collega’s waren tevreden over mijn werk, en ik was dat zelf eigenlijk ook. Er was dus helemaal niets mis met mijn vermogen om vooruit te denken. Het hielp me om mijn werk goed te doen en verantwoordelijkheid te dragen. Alleen stond mijn hoofd eigenlijk nooit stil. Hoe goed je ook bent in het voorzien van mogelijke problemen, er is altijd nog een scenario waar je niet aan gedacht hebt. Er kan altijd iets gebeuren wat je niet had zien aankomen. En dus bleef mijn hoofd zoeken, denken, voorspellen en controleren. Niet omdat ik bewust voor zo’n manier van leven had gekozen, maar omdat het voor mij zo vanzelfsprekend was geworden om veiligheid te zoeken in wat ik kon overzien en beheersen.
Achteraf zie ik hoe moeilijk het is om op die manier ooit werkelijk tot rust te komen. Je kunt een heleboel voorbereiden, maar je kunt het leven niet volledig voorspellen. Er blijft altijd iets buiten je bereik, hoe zorgvuldig je ook te werk gaat. Wanneer je veiligheid afhankelijk wordt van de mate waarin je de gebeurtenissen onder controle hebt, blijft er dus altijd iets om over te waken. Je hoeft niet eens bang te zijn voor een concreet gevaar. Het kan voldoende zijn dat je hoofd voortdurend zoekt naar wat er eventueel nog mis zou kunnen gaan. Zo wordt vooruitdenken, dat je in bepaalde omstandigheden juist veel oplevert, ook iets wat je maar moeilijk kunt uitzetten.
Wanneer je lichaam niet langer meegaat
Op mijn vijftigste kreeg ik daar de rekening van gepresenteerd. Ik kreeg een burn-out en plots was er niets meer om te controleren. Mijn lichaam deed niet meer wat ik wilde en mijn hoofd werkte niet meer zoals ik gewend was. De snelheid waarmee ik jarenlang had geleefd, viel stil. Dat was verschrikkelijk, juist omdat ik zo weinig houvast had in wat er gebeurde. Ik kon niet meer verder op de manier waarop ik tot dan toe had gefunctioneerd, en ik kon mezelf ook niet met de vertrouwde oplossingen weer op de been krijgen. Wat me jarenlang had geholpen om vooruit te komen, bleek niet voldoende om me door deze periode heen te loodsen.
Achteraf denk ik soms dat het leven me toen op een heel radicale manier heeft laten ervaren wat ik zelf al die jaren zo moeilijk vond: dat ik niet alles in handen heb. Ik kon niet vooruitdenken tot ik de juiste oplossing vond, mezelf niet met wilskracht weer aan het werk zetten en mijn lichaam niet overtuigen om opnieuw mee te draaien. Ik moest stilvallen, of ik dat nu wilde of niet. En in die stilstand begon er iets anders zichtbaar te worden. Niet meteen een nieuw vertrouwen of een helder inzicht in hoe het dan wel moest, maar wel de ervaring dat mijn leven niet op dezelfde manier verder kon. Er kwam ruimte om andere vragen te stellen. Wat past eigenlijk bij mij? Hoe wil ik leven als ik niet langer voortdurend probeer te voldoen aan wat ik denk dat mogelijk of wenselijk is? En wat gebeurt er wanneer ik niet alleen luister naar wat mijn hoofd allemaal kan bedenken, maar ook naar wat mijn lichaam me vertelt?
Ik ben vandaag dankbaar dat ik die jaren in de wereld van supply chain heb doorgebracht. Ze hebben me gevormd en ik neem er nog altijd veel van mee. Ik begrijp daardoor ook goed de wereld waarin veel van mijn klanten werken: de druk, de verantwoordelijkheid, het voortdurende schakelen en de verwachting dat je vooral degene bent die het allemaal wel geregeld krijgt. Tegelijkertijd is er in mij steeds meer ruimte gekomen voor een andere kant. Ik ben een empathische vrouw, ik voel veel en ik heb het vermogen om een bedding te bieden waarin iemand kan vertragen, voelen en soms ook dingen kan neerleggen die lange tijd te zwaar waren om alleen te dragen. Dat heeft een plek gekregen in mijn werk en het voelt steeds meer alsof mijn leven en mijn werk in dezelfde richting bewegen. Niet omdat ik dat allemaal vooraf zo had uitgedacht, maar omdat ik gaandeweg ben gaan herkennen wat bij me past.
Een leven dat meer klopt
Ook de manier waarop ik mijn leven organiseer, is veranderd. Ik werk drie dagen per week met klanten en ontvang maximaal twee klanten per dag. Vroeger vond ik het lastig dat ik blijkbaar niet kon wat anderen wel konden. Ik keek naar mensen die vijf dagen per week werkten, veel afspraken op een dag hadden en maar doorgingen, en ergens in mij leefde nog het idee dat ik dat ook zou moeten kunnen. Alsof hun ritme de maatstaf was waaraan ik mijn eigen mogelijkheden moest afmeten. Vandaag vraag ik me dat veel minder af. Mijn systeem heeft een ander ritme en ik leer steeds meer om dat niet als een tekort te beschouwen, maar als informatie over hoe ik het leven kan vormgeven op een manier die bij mij past.
Sommige dagen is er veel energie en stroomt alles bijna vanzelf. Op andere momenten is er minder energie en vraagt mijn lichaam om iets anders. Dan zit ik misschien een tijdje in de zetel, ga ik met mijn hond wandelen in de natuur of werk ik wat in de tuin. Soms doe ik ogenschijnlijk helemaal niets en blijkt achteraf dat juist in die ruimte iets kon ontstaan waarvoor eerder geen plaats was. Ik probeer mijn leven niet meer voortdurend terug in een vast ritme te duwen omdat ik denk dat het zo hoort. Ik luister en beweeg van daaruit verder. Dat betekent niet dat ik altijd precies weet wat goed voor me is, of dat ik elke lichamelijke gewaarwording als een duidelijke aanwijzing kan beschouwen. Het betekent eerder dat ik mezelf meer ruimte geef om te ontdekken wat er nodig is, zonder meteen te besluiten dat ik iets moet veranderen om weer aan een bepaalde norm te voldoen.
Vertrouwen is daardoor voor mij een andere betekenis gaan krijgen. Lange tijd dacht ik dat vertrouwen betekende dat ik moest kunnen loslaten wat het leven met me deed, alsof ik maar moest aanvaarden wat er op mijn pad kwam en erop moest vertrouwen dat het uiteindelijk wel goed zou komen. Vandaag voelt dat anders. Vertrouwen betekent voor mij niet dat ik me zomaar overgeef aan alles wat gebeurt, maar dat ik steeds beter leer voelen wat bij mij past en van daaruit keuzes maak. Ik neem nog altijd beslissingen, draag verantwoordelijkheid en organiseer de dingen die georganiseerd moeten worden. Alleen probeer ik steeds minder om vooraf de hele weg vast te leggen. Ik hoef niet op ieder mogelijk probleem een antwoord te hebben voordat ik een volgende stap kan zetten.
Dat vraagt soms moed, want op die manier leven brengt ook onzekerheid met zich mee. Ik heb minder financiële zekerheid dan wanneer ik mijn vroegere leven was blijven leiden. Ik zou dat kunnen zien als bewijs dat ik het niet goed aanpak, dat ik meer zou moeten werken of dat ik mijn toekomst beter zou moeten vastleggen. Maar er is ook iets anders gekomen: tijd, ruimte en adem. En het gevoel dat mijn leven steeds meer in overeenstemming is met wie ik ben. Dat maakt de onzekerheid niet ongedaan, maar het verandert wel de manier waarop ik me ertoe verhoud. Ik hoef niet langer elke onzekerheid op te lossen voordat ik mezelf toestemming kan geven om te leven zoals het voor mij klopt.
Meebewegen met wat zich aandient
Misschien lijkt vertrouwen van buitenaf soms op niets doen. Alsof je de teugels uit handen geeft en maar moet hopen dat het leven je ergens brengt waar je wilt zijn. Zo voelt het voor mij vandaag helemaal niet. Ik denk eerder aan de zee en aan de golven die komen en gaan. Ik hoef ze niet zelf te maken en ik hoef ze ook niet tegen te houden. Ik kan leren voelen wanneer er beweging is en meegaan wanneer het stroomt. En wanneer de zee stiller wordt, hoef ik niet uit angst alsnog zelf golven te gaan maken. Er mag ook een periode zijn waarin er minder gebeurt, waarin ik niet precies weet wat de volgende stap zal zijn en waarin iets zich nog aan het vormen is.
Dat is misschien wel het verschil tussen vertrouwen en passiviteit. Passiviteit zou betekenen dat ik mijn eigen aandeel niet meer opneem en alles maar laat gebeuren. Vertrouwen betekent voor mij juist dat ik betrokken blijf bij mijn leven, maar niet langer probeer om iedere uitkomst vooraf te bepalen. Ik mag handelen wanneer er iets te doen is en wachten wanneer er nog niets duidelijk is. Ik mag plannen maken zonder me eraan vast te klampen, en ik mag onderweg ontdekken dat een andere richting beter bij me past. Wat ik vooraf bedacht heb, hoeft niet altijd te verdwijnen, maar het hoeft me ook niet gevangen te houden wanneer het leven iets anders laat zien.
Misschien herken je iets van die beweging in je eigen leven. Misschien merk je dat je op bepaalde plekken voortdurend vooruitdenkt, oplossingen zoekt of probeert te voorkomen dat er iets misgaat. Dat kan in je werk zijn, in relaties of in de manier waarop je je dagen organiseert. Misschien heeft die controle je veel gebracht en is ze lange tijd een belangrijke kwaliteit geweest. Dan hoeft het ook niet de bedoeling te zijn om haar zomaar overboord te gooien. Je kunt erkennen wat ze voor je heeft betekend en tegelijk nieuwsgierig worden naar wat er gebeurt wanneer je haar niet overal meer nodig hebt. Want soms is de vraag niet hoe je nog beter kunt leren omgaan met alles wat er op je afkomt, maar of je jezelf wat meer ruimte kunt geven om niet alles vooraf te hoeven weten.
Voor mij ligt daar de diepere laag van vertrouwen. Niet in de zekerheid dat alles zal gaan zoals ik het bedacht heb, maar in het vertrouwen dat ik mezelf steeds beter leer kennen. Dat ik mag luisteren wanneer mijn lichaam iets anders vraagt, dat ik onderweg kan bijsturen en dat ik niet voortdurend buiten mezelf hoef te zoeken naar bevestiging dat ik op de goede weg zit. Het leven hoeft niet langer precies te worden zoals ik het had gepland. Het mag zich ontvouwen en ik mag meebewegen.
Misschien hoeven we niet allemaal op dezelfde manier te leren vertrouwen. Voor de een betekent het misschien dat er wat meer structuur mag komen, terwijl de ander juist wat ruimte nodig heeft om niet alles vast te leggen. Het gaat er niet om dat controle verkeerd is en loslaten goed. Het gaat erom te ontdekken wanneer iets ons werkelijk helpt en wanneer we het zijn gaan gebruiken om een onzekerheid weg te houden die nu eenmaal bij het leven hoort.
Misschien begint vertrouwen niet op het moment dat we alle controle loslaten, maar wanneer we voorzichtig ontdekken dat we ook zonder volledige controle verder kunnen. Niet omdat we zeker weten waar de weg naartoe leidt, maar omdat we gaandeweg beter leren voelen wie we zijn terwijl we hem bewandelen.
Wanneer verdriet zich vastzet in je lichaam
Wanneer verdriet zich vastzet in je lichaam
We denken vaak dat onze gevoelens vooral ontstaan door wat er vandaag in ons leven gebeurt. Iemand zegt iets wat ons raakt, we verliezen iemand die ons dierbaar is of een gebeurtenis loopt anders dan we hadden gehoopt. We voelen verdriet en proberen daar op onze eigen manier mee om te gaan. Maar soms lijkt een gevoel groter dan de situatie waarin we ons bevinden. Of merken we dat we juist helemaal niets voelen, terwijl we met ons verstand best begrijpen dat iets ons verdrietig zou kunnen maken. Alsof er ergens een afstand bestaat tussen wat we weten en wat we werkelijk ervaren.
Ik vind het interessant om stil te staan bij de manier waarop we als kind leren omgaan met verdriet. Niet elk kind krijgt de ruimte om te huilen wanneer het pijn heeft, teleurgesteld is of zich alleen voelt. Misschien werd je getroost en mocht je verdriet er gewoon zijn. Maar het kan ook dat je te horen kreeg dat je niet zo moest aanstellen, dat het allemaal niet zo erg was of dat je beter ophield met huilen. Soms was er niemand die je tranen opmerkte, omdat de volwassenen om je heen zelf te veel aan hun hoofd hadden. En soms leerde je al vroeg dat het gemakkelijker was om flink te zijn, door te gaan en anderen niet lastig te vallen met wat er in jou omging.
Een kind trekt daar niet noodzakelijk bewust conclusies uit. Het past zich aan de omstandigheden aan en vindt manieren om verder te kunnen. Misschien leer je je tranen inslikken, probeer je jezelf te troosten of zoek je afleiding zodra iets pijn doet. Wat aanvankelijk een manier is om met een moeilijke situatie om te gaan, kan later zo vertrouwd worden dat je nauwelijks nog merkt dat je het doet. Je bent nu eenmaal iemand die niet snel huilt, die sterk blijft wanneer het moeilijk wordt of die liever praktisch aan de slag gaat dan bij verdriet stil te staan. Tot je op een dag merkt dat je wel voelt dat er iets in je leeft, maar niet goed weet hoe je erbij kunt komen.
Wanneer de tranen niet komen
Ik denk aan Isabelle, die me ooit vertelde: “Zelfs bij verlies of moeilijke momenten komen mijn tranen niet echt.” Ze voelde wel verdriet, maar het leek alsof er iets tussen haar en haar tranen stond. Ze kon begrijpen dat een situatie pijnlijk was en wist ook dat ze geraakt werd, maar het verdriet leek niet helemaal tot bij haar te komen. Tegelijk merkte ze in haar lichaam spanning op in haar borst en schouders. Haar keel voelde vaak dichtgeknepen en haar ademhaling bleef oppervlakkig.
Toen we samen terugkeken naar haar kindertijd, werd geleidelijk duidelijk hoe weinig ruimte er vroeger was geweest voor haar verdriet. Wanneer ze huilde, werd daar niet altijd op gereageerd of kreeg ze opmerkingen zoals dat ze zich niet moest aanstellen. Als kind had ze geleerd dat het tonen van verdriet haar niet noodzakelijk dichter bij iemand bracht. Misschien leverde het zelfs afwijzing op, of kreeg ze het gevoel dat ze anderen tot last was. Ze vond manieren om haar tranen tegen te houden en leerde om door te gaan, sterk te zijn en zich aan te passen.
Wat me daarin raakt, is dat zo'n aanpassing op een bepaald moment heel vanzelfsprekend kan worden. Je hoeft niet langer bewust je tranen tegen te houden; je merkt misschien gewoon dat ze niet meer komen. En wanneer je later in je leven met verlies of teleurstelling te maken krijgt, kun je daar behoorlijk van in de war raken. Je weet dat je verdrietig bent, maar je voelt het niet zoals je verwacht had. Misschien vraag je je zelfs af of je wel genoeg om iemand gaf, omdat je niet huilt zoals anderen dat doen. Terwijl het uitblijven van tranen op zichzelf niets zegt over hoeveel iemand voelt of hoeveel iemand om een ander geeft.
Ook het omgekeerde kan gebeuren. Misschien huil je juist heel gemakkelijk, maar heb je moeite om te begrijpen wat er precies geraakt wordt. Verdriet kent veel verschillende vormen en laat zich niet bij iedereen op dezelfde manier zien. Het lijkt me daarom belangrijk om niet te snel te besluiten dat er iets mis is wanneer je niet kunt huilen, maar evenmin om ervan uit te gaan dat er onder elke lichamelijke spanning noodzakelijk oud verdriet verborgen zit. Nieuwsgierigheid kan ons verder brengen dan de verwachting dat emoties zich op een bepaalde manier zouden moeten uiten.
Het lichaam als ingang naar wat je ervaart
Bij Isabelle voelde haar lichaam zwaar aan, alsof er voortdurend iets op haar borst drukte. Tijdens onze sessies gingen we niet meteen op zoek naar een verklaring of naar een manier om dat gevoel weg te krijgen. We brachten eerst aandacht naar wat ze op dat moment ervaarde. Hoe voelde haar borst aan? Wat merkte ze op in haar keel? Veranderde er iets wanneer ze haar ademhaling gewoon liet verlopen zonder te proberen die te verbeteren? En wat gebeurde er wanneer ze even de tijd nam om bij een gewaarwording te blijven, zonder dat ze er iets mee hoefde te doen?
Dat lijkt misschien eenvoudig, maar wanneer je gewend bent om gevoelens snel weg te duwen of er met je verstand overheen te gaan, kan het bijzonder ongewoon zijn om ergens bij stil te staan zonder het meteen te willen veranderen. We zijn zo gewend om problemen op te lossen dat we ook bij onze emoties al snel op zoek gaan naar een verklaring of een uitweg. We willen begrijpen waarom we verdrietig zijn, hoe we ons beter kunnen voelen en wanneer het eindelijk voorbij zal zijn. Maar soms hebben we nog niet eens de tijd genomen om te ontdekken wat we eigenlijk ervaren.
Bij Isabelle ontstond er geleidelijk meer ruimte om haar lichamelijke gewaarwordingen op te merken. Niet omdat ze zichzelf dwong om te huilen, maar omdat ze niet langer alles hoefde te doen om haar tranen tegen te houden. Er was geen opdracht om verdriet naar boven te halen en evenmin een verwachting dat er op het einde van de sessie iets bijzonders moest gebeuren. We bleven bij wat zich op dat moment aandiende. Soms veranderde er iets in haar ademhaling, soms merkte ze vooral spanning op en soms was er niet veel meer dan het besef dat ze haar lichaam opnieuw begon waar te nemen.
Ik vind dat een belangrijk onderscheid. Aandacht geven aan verdriet betekent niet dat we het koste wat het kost naar boven moeten halen. We hoeven niet op zoek te gaan naar een grote emotionele ontlading om te kunnen zeggen dat er iets in beweging is gekomen. Soms begint verandering juist bij de ervaring dat je niet langer hoeft te vechten tegen wat je voelt, of bij het ontdekken dat je iets mag opmerken zonder dat je er onmiddellijk iets mee moet doen.
Verdriet hoeft niet altijd in tranen te eindigen
We hebben vaak een bepaald beeld van verdriet. We denken aan tranen, een brok in de keel, iemand die zijn hoofd laat hangen of de behoefte om getroost te worden. Maar verdriet kan zich ook heel anders tonen. Misschien voel je je moe, trek je je wat terug of merk je dat je moeilijker contact maakt met anderen. Misschien ga je juist heel hard werken, organiseer je alles wat geregeld moet worden of zorg je ervoor dat iedereen rondom jou het goed heeft. Aan de buitenkant lijkt er weinig aan de hand, terwijl je vanbinnen misschien nauwelijks ruimte ervaart om stil te staan bij wat je kwijt bent geraakt.
Dat betekent niet dat vermoeidheid, terugtrekgedrag of lichamelijke spanning automatisch tekenen van verdriet zijn. Ons lichaam en ons gedrag worden door veel verschillende factoren beïnvloed. Maar wanneer je merkt dat je jezelf afsluit op momenten waarop iets pijn doet, kan het interessant zijn om je af te vragen wat er gebeurt wanneer je even niet probeert om verder te gaan alsof er niets aan de hand is.
Misschien ontdek je dat je verdriet hebt over iets wat je verloren bent. Niet noodzakelijk iemand die gestorven is, maar ook een verwachting die niet is uitgekomen, een relatie die anders liep dan je had gehoopt of een deel van jezelf dat jarenlang weinig ruimte kreeg. Soms rouwen we om iets waarvan we pas veel later beginnen te begrijpen hoe belangrijk het voor ons was. En soms voelen we verdriet over iets wat we nooit echt hebben gehad, zoals de aandacht, de steun of de geborgenheid waar we als kind naar verlangden.
Dat soort verdriet laat zich niet altijd gemakkelijk benoemen. Je kunt immers moeilijk missen wat je nooit bewust hebt gekend. Misschien heb je pas als volwassene ervaren hoe het voelt wanneer iemand echt naar je luistert, wanneer je niet alles zelf hoeft op te lossen of wanneer je ergens mag zijn zonder iets te moeten bewijzen. Pas dan wordt duidelijk wat er vroeger misschien ontbrak. Niet om alsnog een oordeel over je hele kindertijd te vellen, maar om te erkennen dat er naast de fijne ervaringen ook iets kan zijn wat je gemist hebt.
En misschien is het juist die erkenning die ruimte geeft. Je hoeft niet te bewijzen dat je jeugd moeilijk genoeg was om verdriet te mogen voelen. Je hoeft je ervaringen evenmin groter te maken dan ze waren. Je mag gewoon onderzoeken wat ze voor jou betekend hebben en wat er vandaag nog doorwerkt in de manier waarop je met jezelf en anderen omgaat.
Wat als je niet langer hoeft weg te lopen?
Verdriet wordt soms voorgesteld als iets waar je doorheen moet, alsof er ergens een eindpunt ligt waarop je het verwerkt hebt en het je niet meer raakt. Maar ik weet niet of gevoelens zich altijd zo netjes laten afronden. Sommige verliezen blijven deel uitmaken van ons leven. Je kunt verdergaan, nieuwe verbindingen aangaan en opnieuw plezier ervaren, terwijl je op bepaalde momenten toch nog verdriet voelt om wat er niet meer is. Dat hoeft niet te betekenen dat je bent blijven hangen in het verleden.
Misschien gaat het er minder om dat verdriet zo snel mogelijk verdwijnt en meer om de ruimte die we het geven wanneer het zich aandient. Kun je erkennen dat iets je raakt, zonder jezelf meteen te vertellen dat je sterk moet zijn? Kun je even stilstaan bij een gevoel van gemis zonder jezelf te verwijten dat je er nu nog mee bezig bent? En kun je aanvaarden dat je soms niet precies weet wat je voelt, zonder jezelf te dwingen om er onmiddellijk woorden aan te geven?
Voor mij zit daar iets wezenlijks in. We hoeven niet elk gevoel te begrijpen vooraleer we er met zachtheid bij aanwezig kunnen zijn. Soms is het voldoende om op te merken dat er iets in ons leeft en onszelf niet meteen weg te sturen van die ervaring. Dat kan heel klein beginnen: even voelen hoe je op de stoel zit, merken dat je ademhaling verandert of erkennen dat een herinnering je raakt. En soms is het juist belangrijk om afstand te nemen, iets anders te gaan doen of steun te zoeken wanneer het te veel wordt. Ook dat hoort bij luisteren naar jezelf.
Misschien ontdekken we onderweg dat verdriet niet alleen iets is wat ons zwaar maakt. Wanneer we er op onze eigen manier ruimte voor kunnen vinden, kan het ons ook opnieuw in contact brengen met wat belangrijk voor ons is, met de mensen die we missen en met de verlangens die we lang hebben weggestopt. Niet omdat verdriet altijd een verborgen boodschap bevat die we moeten ontcijferen, maar omdat we onszelf beter leren kennen wanneer we niet voortdurend hoeven weg te duwen wat we voelen.
En misschien hoeft het uiteindelijk niet eens over huilen te gaan. Misschien gaat het erom dat je jezelf niet langer verplicht om sterk te zijn op de momenten waarop je je kwetsbaar voelt. Dat je niet meteen verder hoeft wanneer er iets pijn doet. En dat je, heel voorzichtig, mag ontdekken hoe het voelt om bij jezelf te blijven, ook wanneer je niet precies weet wat er allemaal in je leeft.
Wanneer boosheid zich stil verstopt in je lichaam
Wanneer boosheid zich stil verstopt in je lichaam
“Ik ben eigenlijk nooit boos.”
Het is een uitspraak die ik vaker hoor. Mensen die zichzelf omschrijven als rustig, geduldig of iemand die liever geen ruzie maakt. Ze zijn niet snel kwaad, proberen rekening te houden met anderen en zoeken meestal naar een manier om de vrede te bewaren. En misschien klopt dat ook wel. Niet iedereen uit boosheid op dezelfde manier. Maar soms ben ik nieuwsgierig naar wat er gebeurt wanneer we wat langer stilstaan bij die ogenschijnlijke afwezigheid van boosheid. Want wat betekent het eigenlijk wanneer je nooit boos bent? Voel je die emotie werkelijk niet, of heb je ergens onderweg geleerd om haar niet meer zo gemakkelijk op te merken? En als je wel iets voelt, maar het geen boosheid noemt, waar geef je die ervaring dan een plek?
Ik vind het boeiend hoe verschillend we leren omgaan met emoties. Sommige mensen laten vrij gemakkelijk merken wanneer iets hen niet bevalt. Anderen slikken hun woorden in, passen zich aan of vertellen zichzelf dat het allemaal niet zo belangrijk is. Soms zijn ze zich daar nauwelijks van bewust. Het is gewoon de manier waarop ze al jarenlang met situaties omgaan. Misschien herken je het wel. Je bent ergens niet tevreden over, maar je zegt er niets van. Je vindt het niet prettig dat iemand alweer iets van je verwacht, maar je doet het toch. Je merkt dat je eigenlijk liever iets anders zou willen, maar je denkt dat het gemakkelijker is om je aan te passen. En wanneer iemand vraagt of er iets scheelt, antwoord je dat alles prima is. Tot je op een dag merkt dat je schouders voortdurend gespannen zijn, dat je kaken op elkaar geklemd zitten of dat je bij het minste of geringste geïrriteerd reageert. Je weet niet precies waarom. Je bent toch helemaal niet boos?
Wat we onderweg leren over boosheid
Boosheid krijgt niet in elk gezin dezelfde plek. In het ene gezin mag je als kind duidelijk laten merken dat je iets niet wilt. In het andere wordt boosheid al snel gezien als lastig, overdreven of ongepast. Misschien kreeg je te horen dat je niet zo moeilijk moest doen, dat je je moest gedragen of dat boos worden nergens toe leidde. Een kind is afhankelijk van de volwassenen om zich heen. Het wil erbij horen, liefde ervaren en begrijpen hoe het zich in zijn omgeving kan bewegen. Wanneer boosheid telkens leidt tot afwijzing, ruzie of afstand, kan het kind besluiten om die emotie liever niet meer te laten zien. Soms leert het zelfs om haar niet meer zo goed te voelen. Dat hoeft geen bewuste beslissing te zijn. Je gaat gewoon steeds beter aanvoelen wat er van je verwacht wordt. Je leert flink te zijn, rekening te houden met anderen en je eigen ongenoegen niet te veel ruimte te geven. Misschien word je wel het kind dat nooit problemen veroorzaakt, dat altijd behulpzaam is of dat de sfeer probeert goed te houden.
En daar is op zich niets mis mee. Rekening houden met anderen kan een mooie eigenschap zijn en rustig blijven in een conflict kan bijzonder waardevol zijn. Alleen wordt het ingewikkelder wanneer je zo gewend raakt aan het aanpassen dat je niet meer goed weet waar jij zelf staat. Wanneer je pas merkt dat iets te veel is geworden als je lichaam protesteert, je uitgeput raakt of je plots veel feller reageert dan je van jezelf gewend bent. Ik zou daarom niet zomaar willen besluiten dat iemand die weinig boosheid ervaart, die emotie noodzakelijk onderdrukt. Misschien is iemand inderdaad zelden boos. Maar het kan ook interessant zijn om eens te onderzoeken of er situaties zijn waarin je jezelf iets ontzegt omdat je bang bent voor wat er zou gebeuren als je je ongenoegen wél laat merken. Want soms gaat het niet zozeer over de vraag of je boos bent, maar over de ruimte die je jezelf toestaat om ergens niet mee akkoord te gaan.
Wanneer je lichaam iets lijkt te vertellen
Ik denk aan Annemie, die bij me kwam met aanhoudende spanning in haar nek, schouders en kaak. Ze beschreef zichzelf als iemand die weinig emoties voelde en zeker niet snel boos werd. Ze was gewend om zich aan te passen aan de verwachtingen van anderen en had vaak weinig aandacht voor wat ze zelf wilde. Toen we samen wat langer stilstonden bij haar kindertijd, kwamen herinneringen naar boven waarin boosheid weinig ruimte kreeg. Wanneer ze als kind gefrustreerd of kwaad reageerde, werd haar reactie vaak afgewezen of geminimaliseerd. Ze had geleerd dat het gemakkelijker was om haar boosheid niet te laten zien.
Wat me daarin raakt, is hoe vanzelfsprekend zo'n manier van omgaan met jezelf kan worden. Je hoeft niet voortdurend bewust te denken dat je niet boos mag zijn. Je hebt misschien gewoon nooit geleerd om die emotie als een waardevol signaal te herkennen. Je merkt wel dat iets onaangenaam voelt, maar gaat er snel overheen. Je voelt spanning, maar probeert te ontspannen zonder je af te vragen wat die spanning misschien met de situatie te maken heeft. Tijdens ons werk gingen we niet meteen op zoek naar verklaringen of oplossingen. We brachten aandacht naar wat ze lichamelijk ervaarde: haar ademhaling, de spanning in haar schouders en wat er gebeurde wanneer ze daar even bij bleef zonder zichzelf te moeten veranderen. Geleidelijk kwam er iets anders in beeld dan alleen spanning. Ze begon ook iets van kracht te ervaren. Niet de kracht om uit te halen of haar gelijk te halen, maar de kracht om te voelen dat iets voor haar niet klopte. Om te merken dat ze iets niet wilde, dat een grens bereikt was of dat ze ergens anders over dacht dan de mensen rondom haar.
Ik vind het belangrijk om daarbij niet te snel conclusies te trekken. Spanning in je nek of kaken betekent niet automatisch dat je boosheid onderdrukt. Lichamelijke spanning kan allerlei oorzaken hebben. Maar wanneer je merkt dat je bepaalde emoties moeilijk herkent, kan je lichaam wel een ingang bieden om nieuwsgieriger te worden naar je ervaring. Misschien merk je eerst alleen dat je buik zich samentrekt wanneer iemand iets van je vraagt. Of dat je adem even stokt wanneer iemand over je grens gaat. Je weet nog niet precies wat je voelt, maar je begint wel iets op te merken wat je vroeger misschien meteen voorbijging. En soms is dat al een hele verandering.
Boosheid hoeft niet te ontploffen
We denken bij boosheid vaak aan een luide stem, een boze blik, een deur die dichtgeslagen wordt of woorden waar we later spijt van krijgen. Geen wonder dat we die emotie liever wat op afstand houden wanneer we zulke ervaringen kennen. Wie wil er nu iemand kwetsen of een relatie op het spel zetten? Maar boosheid hoeft zich niet op die manier te uiten. Ze kan ook een stille gewaarwording zijn dat iets niet klopt. Een innerlijk nee. Een gevoel dat je niet langer wilt meegaan in wat iemand van je verwacht. Of het besef dat je al te lang rekening hebt gehouden met anderen en jezelf daarbij bent kwijtgeraakt.
In die zin kan boosheid ons iets laten zien over onze grenzen. Ze kan duidelijk maken dat er iets gebeurt waar we niet mee akkoord gaan, dat een behoefte onvoldoende ruimte krijgt of dat we een situatie anders willen aanpakken. Dat betekent niet dat elke boosheid bewijst dat iemand anders over je grens is gegaan. Soms worden we ook boos wanneer iets anders loopt dan we hadden gehoopt, wanneer we ons machteloos voelen of wanneer een oude ervaring wordt geraakt. De emotie vertelt ons dus niet automatisch wat we moeten doen. Ze kan ons wel uitnodigen om even stil te staan en te onderzoeken wat er aan de hand is. Misschien ontdek je dat je inderdaad een grens wilt aangeven. Misschien merk je dat je iets verkeerd hebt begrepen. Of misschien zit er onder je boosheid vooral verdriet, teleurstelling of angst. Je hoeft dat niet meteen te weten. Het begint ermee dat je jezelf de ruimte geeft om te voelen wat er gebeurt, zonder de ervaring onmiddellijk weg te redeneren of ernaar te handelen.
Want voelen dat je boos bent, is niet hetzelfde als boos handelen. Je kunt een emotie ernstig nemen zonder iemand anders te kwetsen. Je kunt erkennen dat iets je raakt en toch rustig blijven nadenken over wat je ermee wilt doen. Misschien wordt het daardoor ook gemakkelijker om boosheid niet langer als een gevaarlijke emotie te beschouwen die je zo snel mogelijk moet beheersen. Ze wordt dan eerder iets waar je naar kunt luisteren, zonder dat ze het voor het zeggen hoeft te krijgen.
Een gevoel leren herkennen
Wat ik zelf interessant vind, is hoe abstract emoties soms kunnen blijven zolang we ze vooral proberen te begrijpen. We kunnen uitgebreid vertellen waarom we ergens last van hebben, maar wanneer iemand vraagt wat we op dat moment precies voelen, wordt het plots moeilijker. Daarom kan het helpen om de aandacht eens te verleggen van de verklaring naar de ervaring zelf. Niet alleen denken aan een situatie waarin je boos was, maar je ook afvragen hoe je die boosheid eigenlijk herkent. Wat verandert er in je lichaam? Voel je warmte, druk, spanning, een samentrekking of juist de neiging om weg te bewegen? Misschien merk je iets in je buik, je borst, je handen of je gezicht. Misschien is het helemaal niet duidelijk waar je iets voelt. Je hoeft daar geen juist antwoord op te vinden. En je hoeft jezelf ook niet in een emotie te brengen die er op dat moment niet is. Het kan al voldoende zijn om terug te denken aan een situatie waarin je je gefrustreerd voelde en nieuwsgierig te worden naar wat je toen lichamelijk opmerkte.
Soms helpt het om je die gewaarwording voor te stellen als een beeld. Als je spanning een vorm of een kleur had, hoe zou die er dan uitzien? Is ze hard of zacht, groot of klein, stilstaand of bewegend? Misschien verschijnt er een beeld dat je zelf verrassend vindt. Het hoeft niet logisch te zijn. Het is geen test waarvan de uitkomst je precies vertelt wat er aan de hand is, maar een speelse manier om woorden te vinden voor iets wat zich niet altijd gemakkelijk laat beschrijven.
Ik merk dat zo'n manier van kijken mij helpt om signalen eerder op te merken. Niet omdat ik voortaan altijd meteen weet wat er aan de hand is, maar omdat ik mijn lichamelijke ervaring minder snel voorbijga. Soms merk ik dat ik ergens weerstand bij voel terwijl ik nog vriendelijk aan het uitleggen ben waarom ik het wel zal doen. Dan kan ik mezelf de vraag stellen of ik dat eigenlijk wel wil, of dat ik alweer automatisch rekening aan het houden ben met wat een ander nodig heeft. Dat geeft me de mogelijkheid om even stil te staan voordat ik antwoord. Misschien wil ik het uiteindelijk nog altijd doen. Misschien wil ik iets anders voorstellen. Of misschien voel ik dat ik ergens een grens moet aangeven. Het verschil zit voor mij niet in het feit dat ik nooit meer over mijn grenzen zou gaan. Het zit erin dat ik ze steeds iets sneller begin op te merken.
Je hoeft niet minder jezelf te worden om rekening te houden met anderen
Misschien hebben we boosheid soms wat te snel ingedeeld bij de emoties die we liever niet voelen. We willen aardig zijn, begripvol blijven en goede relaties onderhouden. En daar is niets mis mee. Maar wanneer aardig zijn betekent dat je voortdurend over je eigen grenzen heen gaat, wordt het op den duur moeilijk om die verbinding met anderen ook echt te ervaren. Want hoe goed kun je contact hebben met iemand anders wanneer je nauwelijks nog voelt wat er in jezelf omgaat? Hoe vrij is je keuze om iemand te helpen wanneer je eigenlijk niet durft te weigeren? En hoe oprecht is je instemming wanneer je diep vanbinnen iets anders wilt, maar jezelf hebt aangeleerd dat je daar beter niet naar luistert?
Misschien begint er iets te veranderen wanneer je niet langer probeert om een mens te worden die nooit boos, lastig of ongeduldig is. Wanneer je ook die kanten van jezelf een beetje beter leert kennen, zonder ze meteen te veroordelen. Je hoeft je boosheid niet te volgen waar ze je ook naartoe leidt. Je hoeft haar evenmin weg te duwen om een goed mens te zijn. Je mag onderzoeken wat ze je probeert duidelijk te maken en vervolgens zelf kiezen wat je ermee doet. En misschien ontdek je dan dat boosheid niet noodzakelijk iets is wat je relaties bedreigt. Soms helpt ze je juist om eerlijker aanwezig te zijn, om duidelijker te voelen wat je wilt en om verbinding te maken zonder jezelf telkens opzij te schuiven. Niet door harder te worden, maar door jezelf wat meer ruimte te geven.
Wat er onder verwijten naar je ouders verborgen kan liggen
Wat er onder verwijten naar je ouders verborgen kan liggen
Ik denk dat we allemaal wel momenten kennen waarop we terugkijken op onze kindertijd en voelen dat sommige dingen anders hadden mogen lopen. Misschien had je graag wat meer aandacht gekregen, wat vaker gehoord dat je het goed deed, of had je gewild dat er thuis iemand was geweest bij wie je terechtkon wanneer het moeilijk ging. Soms kun je daar heel helder woorden aan geven. Soms blijft het eerder een vaag gevoel van gemis, iets wat je wel ervaart maar moeilijk kunt uitleggen.
En misschien merk je dat je nog verwijten hebt naar je ouders. Dat je boos wordt wanneer je aan bepaalde gebeurtenissen terugdenkt, dat je verdriet voelt over wat je hebt gemist of dat je je afvraagt waarom ze bepaalde dingen niet anders hebben aangepakt. Tegelijk kun je ook begrijpen dat je ouders hun eigen geschiedenis hadden, dat ze niet alles wisten wat jij vandaag weet en dat ze wellicht ook maar geprobeerd hebben er het beste van te maken.
Die twee kunnen naast elkaar bestaan. Je kunt begrijpen waarom je ouders deden wat ze deden en toch verdriet hebben over de gevolgen die dat voor jou heeft gehad. Je hoeft het ene niet weg te duwen om ruimte te maken voor het andere.
Toch merk ik hoe gemakkelijk we soms proberen onze gevoelens weg te redeneren. We vertellen onszelf dat we niet mogen klagen, dat anderen het veel moeilijker hebben gehad of dat we nu toch volwassen zijn en het verleden achter ons moeten laten. Alsof begrijpen wat er gebeurd is voldoende zou moeten zijn om ook te voelen dat het voorbij is.
Maar zo eenvoudig verloopt dat niet altijd.
### Onder een verwijt zit soms iets heel anders
Wanneer je iemand iets verwijt, gaat de aandacht meestal naar wat die ander heeft gedaan of nagelaten. Je denkt aan wat er niet klopte, aan wat je tekortgekomen bent of aan wat je liever anders had gezien. Dat is begrijpelijk. Toch ben ik ook nieuwsgierig naar wat er onder zo'n verwijt verborgen kan liggen.
Misschien zit er boosheid, omdat je als kind geen ruimte kreeg om je eigen mening te hebben. Misschien is er verdriet omdat je je alleen voelde op momenten waarop je iemand nodig had. Of misschien heb je geleerd om je aan te passen, omdat je bang was dat er anders ruzie zou ontstaan of dat je niet meer graag gezien zou worden.
En soms zit er onder dat alles een verlangen dat nooit helemaal verdwenen is. Het verlangen om gezien te worden, om erbij te horen, om je veilig te voelen of om gewoon eens kind te mogen zijn zonder rekening te moeten houden met wat iedereen rondom jou nodig heeft.
Dat maakt verwijten voor mij interessant. Niet omdat ze altijd terecht of onterecht zouden zijn, maar omdat ze ons soms iets laten zien wat we anders moeilijk kunnen bereiken. Ze wijzen mogelijk naar een plek waar nog verdriet zit, waar iets niet mocht bestaan of waar je jezelf ooit hebt moeten aanpassen om de verbinding met anderen te behouden.
Dat betekent niet dat elk verwijt noodzakelijk naar een verborgen emotie of een onverwerkt trauma leidt. Soms ben je gewoon boos omdat iemand iets gedaan heeft wat niet oké was. Maar wanneer dezelfde gevoelens blijven terugkomen, kan het de moeite waard zijn om eens wat langer stil te staan bij wat er precies geraakt wordt.
Niet om het verwijt weg te nemen, maar om jezelf beter te leren kennen.
### Wanneer je als kind verantwoordelijkheid opneemt die niet van jou is
Ik denk aan een vrouw met wie ik ooit werkte. Ze vertelde me dat ze zich bijna voortdurend schuldig voelde, zonder dat ze eigenlijk wist waarvoor. Haar lichaam stond vaak onder spanning. Ze voelde druk in haar buik en onderrug, alsof er ergens iets werd vastgehouden dat maar niet kon ontspannen.
Tijdens ons werk kwamen geleidelijk herinneringen uit haar kindertijd naar boven. Ze had zich als kind verantwoordelijk gevoeld voor de sfeer thuis. Wanneer haar ouders ruzie maakten, dacht ze dat zij iets verkeerd had gedaan. Ze zorgde vaak voor haar jongere broers en zussen terwijl de volwassenen emotioneel weinig beschikbaar waren.
Als kind had ze manieren gevonden om met haar omgeving om te gaan. Ze probeerde aan te voelen wat er nodig was, hield rekening met anderen en nam verantwoordelijkheid op zich. Misschien hielp dat haar om zich enigszins staande te houden in een situatie die ze als kind niet kon veranderen. Een kind kan immers niet zomaar beslissen dat de volwassenen voortaan zelf hun problemen oplossen. Het is afhankelijk van hen en zoekt manieren om binnen die afhankelijkheid toch een beetje houvast te vinden.
Maar wat ooit een manier was om met de omstandigheden om te gaan, kan later een vanzelfsprekendheid worden. Je voelt je verantwoordelijk wanneer iemand anders ongelukkig is. Je probeert spanningen op te lossen nog voor iemand er iets over heeft gezegd. Je vraagt je af wat je verkeerd hebt gedaan wanneer iemand boos kijkt. En zelfs wanneer er helemaal niets aan de hand is, blijft er ergens een gevoel dat je iets over het hoofd hebt gezien of dat je nog iets moet rechtzetten.
Bij deze vrouw leek het schuldgevoel niet zozeer verbonden met iets waarvoor ze werkelijk verantwoordelijk was, maar met een rol die ze als kind op zich had genomen. Ze had geleerd om de sfeer en het welzijn van anderen mee te dragen. Dat inzicht veranderde niet meteen alles, maar het bracht wel een andere vraag naar voren. Niet langer alleen: waarom voel ik me voortdurend schuldig? Ook: wat heb ik zo lang proberen te dragen, en is dat eigenlijk wel van mij?
Tijdens onze sessies gingen we niet meteen op zoek naar een verklaring die alles moest oplossen. We besteedden aandacht aan wat ze lichamelijk ervaarde, aan de spanning en aan wat er gebeurde wanneer ze daar even bij bleef. Er ontstond geleidelijk meer ruimte om op te merken hoe hard ze al die tijd voor zichzelf was geweest.
Ik vind het belangrijk om daar voorzichtig mee om te gaan. Een lichamelijke spanning vertelt ons niet zomaar wat er in het verleden gebeurd is, en een herinnering verklaart niet automatisch alles wat iemand vandaag ervaart. Maar wanneer iemand zelf begint te herkennen welke verantwoordelijkheid die ooit heeft opgenomen, kan dat een nieuwe verhouding tot zichzelf mogelijk maken.
Misschien hoef je niet langer te bewijzen dat je goed genoeg bent door alles voor iedereen in orde te brengen. Misschien mag je stilaan ontdekken dat de stemming van een ander niet altijd iets over jou zegt.
### Je ouders begrijpen zonder jezelf te vergeten
Er zit voor mij een bijzondere spanning in de relatie met onze ouders. We leren hen kennen vanuit de afhankelijkheid van het kind, terwijl we hen als volwassene ook steeds meer als gewone mensen kunnen gaan zien. Mensen met hun eigen beperkingen, hun angsten, hun verlangens en hun geschiedenis.
Dat kan ons begrip geven. Misschien zie je hoe je moeder zelf weinig ruimte kreeg om haar gevoelens te uiten, of begrijp je beter waarom je vader conflicten liever uit de weg ging. Wat vroeger misschien alleen maar pijnlijk of frustrerend was, krijgt een ruimere context.
Maar er schuilt ook een valkuil in dat begrijpen. We kunnen zo druk bezig zijn met verklaren waarom onze ouders deden wat ze deden, dat we opnieuw voorbijgaan aan wat het met ons heeft gedaan. Alsof hun moeilijke jeugd, hun goede bedoelingen of de omstandigheden waarin ze leefden betekenen dat wij geen verdriet meer mogen voelen over onze eigen ervaringen.
Terwijl die dingen elkaar niet uitsluiten. Je ouders kunnen hun best hebben gedaan en toch tekortgeschoten zijn in wat jij nodig had. Ze kunnen van je gehouden hebben en tegelijk niet in staat zijn geweest om je op bepaalde momenten echt te zien. En je kunt vandaag begrip hebben voor hun beperkingen zonder te moeten doen alsof die beperkingen geen invloed op jou hebben gehad.
Misschien begint er juist iets te veranderen wanneer je jezelf niet langer dwingt om één sluitend oordeel over je ouders te vormen. Ze hoeven niet volledig goed of volledig fout te zijn. Je hoeft hen niet te veroordelen om je eigen verdriet serieus te nemen, maar je hoeft hen ook niet vrij te spreken om verder te kunnen met je leven.
Soms is het voldoende om te erkennen: dit heb ik gemist, dit heeft me geraakt en dit heeft mee gevormd hoe ik vandaag in het leven sta.
Dat is geen beschuldiging. Het is ook geen uitspraak over wie je ouders als mens zijn. Het is ruimte maken voor jouw eigen ervaring, die er naast de hunne mag bestaan.
### De zachtheid die je jezelf vroeger misschien niet kon geven
Wat me hierin bezighoudt, is hoe gemakkelijk we de strengheid waarmee we naar onze ouders kijken soms ook op onszelf toepassen. We verwijten onszelf dat we nog altijd boos zijn, dat we ons iets blijven aantrekken wat lang geleden gebeurd is of dat we niet gewoon dankbaar kunnen zijn voor alles wat we wél hebben gekregen.
We vinden dat we het inmiddels toch zouden moeten begrijpen. Dat we eroverheen zouden moeten zijn. Dat we ons niet meer zo zouden mogen laten raken door iets uit een ver verleden.
Maar daarmee maken we het soms alleen maar moeilijker om te luisteren naar wat er werkelijk in ons leeft. We voegen als het ware een tweede verwijt toe aan het eerste: niet alleen was er ooit iets wat pijn deed, nu vinden we ook nog dat we daar geen last meer van mogen hebben.
Misschien vraagt zachtheid iets anders. Niet dat je jezelf vertelt dat alles oké is, of dat je je gevoelens zo snel mogelijk moet aanvaarden. Wel dat je nieuwsgierig durft te worden naar de manier waarop je ooit hebt geleerd om met moeilijke situaties om te gaan. Dat je kunt zien hoe je als kind probeerde te begrijpen wat er gebeurde, hoe je je aanpaste aan de mensen van wie je afhankelijk was en hoe je misschien verantwoordelijkheid opnam omdat je weinig andere mogelijkheden zag.
Je hoefde als kind niet altijd te weten wat je voelde, laat staan dat je er de juiste woorden voor moest vinden. Je deed wat je kon met wat er op dat moment beschikbaar was. En sommige manieren van omgaan met het leven zijn misschien zo vertrouwd geworden dat je pas veel later begint te merken hoeveel energie ze vragen.
Wanneer je dat begint te zien, hoeft er niet meteen iets veranderd te worden. Soms maakt het al verschil dat je een reactie niet langer uitsluitend als een tekortkoming van jezelf beschouwt. Dat je niet alleen denkt: waarom doe ik toch altijd zo moeilijk? Maar ook eens stilstaat bij de vraag hoe het komt dat je op die manier reageert.
En misschien kun je dan opmerken dat je vandaag meer mogelijkheden hebt dan vroeger. Dat je niet meer het kind bent dat afhankelijk is van de stemming van de volwassenen om zich heen. Dat je je eigen keuzes kunt maken, grenzen kunt stellen en steun kunt zoeken wanneer je die nodig hebt.
Niet omdat het verleden daarmee verdwijnt, maar omdat je er vandaag vanuit een andere positie naar kunt kijken.
Wat verwijt je jezelf eigenlijk?
Ik vraag me af of we niet allemaal weleens iets in onszelf afwijzen wat we bij een ander gemakkelijker kunnen herkennen. We ergeren ons aan iemands ongeduld, terwijl we zelf nauwelijks verdragen dat we niet meteen krijgen wat we willen. We verwijten iemand dat die geen rekening houdt met onze gevoelens, terwijl we onze eigen gevoelens soms evenmin de ruimte geven. Of we vinden het moeilijk dat een ander fouten maakt, omdat we onszelf weinig toestemming geven om niet alles juist te doen.
Dat betekent niet dat ieder verwijt aan een ander eigenlijk een verwijt aan jezelf is. Soms doet iemand ons werkelijk pijn, overschrijdt die een grens of houdt die onvoldoende rekening met ons. Het zou niet kloppen om die verantwoordelijkheid telkens naar onszelf terug te schuiven.
Maar af en toe kan het interessant zijn om ook die andere kant te onderzoeken. Wat raakt me hier zo sterk? Welke verwachting heb ik van mezelf en van anderen? En ben ik misschien bijzonder streng voor mezelf op precies datgene waar ik me bij een ander aan erger?
Je hoeft daar geen sluitend antwoord op te vinden. Misschien merk je alleen dat je op sommige momenten weinig mildheid kunt opbrengen voor jezelf. Of dat je nog altijd probeert iets goed te maken waarvoor je als kind nooit verantwoordelijk was.
Dan begint er misschien ruimte te ontstaan om anders met jezelf om te gaan. Niet door jezelf te verplichten om voortaan zachter te zijn, want ook dat kan weer een nieuwe eis worden. Eerder door op te merken wanneer je hard wordt voor jezelf en je af te vragen of die strengheid je vandaag werkelijk helpt.
Want misschien hoeven we niet eerst al onze verwijten op te lossen om ons vrijer te voelen. Misschien begint er iets te bewegen wanneer we er met wat meer nieuwsgierigheid naar durven kijken. Wanneer we niet alleen zien wat er fout liep, maar ook proberen te begrijpen wat we toen nodig hadden en hoe we daar vandaag op een andere manier mee kunnen omgaan.
En wie weet ontdekken we onderweg dat we onszelf niet langer hoeven te verwijten dat we nog altijd iets voelen.
Een sessie eindigt niet wanneer iemand weer naar huis gaat
Een sessie eindigt niet wanneer iemand weer naar huis gaat
Soms gebeurt er tijdens een sessie iets wat iemand diep raakt. Er komt een gevoel naar boven dat lang verborgen zat, een inzicht valt op zijn plaats of iemand merkt plots iets op wat diegene voordien nog niet kon voelen. Er kan iets verschuiven, zonder dat je precies kunt benoemen wat er veranderd is. En soms is dat ook helemaal niet nodig. Je voelt dat er iets in beweging is gekomen.
Maar wat gebeurt er daarna, wanneer iemand weer naar huis gaat en het gewone leven zijn intrede doet? Wanneer de deur van de praktijk achter zich dichtvalt, de auto gestart wordt, de boodschappen nog gedaan moeten worden of de kinderen opgewacht worden aan de schoolpoort?
Ik denk dat we soms wat gemakkelijk vergeten hoe groot de overgang kan zijn tussen de ruimte die we tijdens een sessie creëren en de wereld waarin iemand daarna opnieuw terechtkomt. In die ruimte is er misschien tijd om stil te staan, te voelen en te onderzoeken. Er is iemand aanwezig die mee aandacht geeft aan wat zich aandient. Maar buiten die ruimte wachten de vertrouwde omstandigheden, de dagelijkse beslommeringen en soms ook de mensen en situaties waarin iemand al jarenlang op een bepaalde manier probeert overeind te blijven.
### De sessie is niet de wereld waarin iemand leeft
Tijdens een sessie kan iemand dichter bij zichzelf komen. Misschien voelt die voor het eerst in lange tijd verdriet, merkt die hoe gespannen het lichaam eigenlijk is of ontdekt die dat er onder de boosheid ook iets anders schuilgaat. Dat kan waardevol zijn, maar het betekent niet noodzakelijk dat iemand op dat moment ook weer helemaal klaar is om de draad van het dagelijkse leven op te nemen.
Ik vraag me weleens af of we voldoende stilstaan bij dat tussenmoment. Het moment waarop iemand de sessie verlaat, maar nog niet helemaal terug is in de wereld waar die straks opnieuw zelf zijn weg moet vinden.
Want ook wanneer er tijdens de sessie iets moois of betekenisvols gebeurt, kan iemand nog wat verdwaald zijn in wat er aangeraakt werd. De aandacht zit misschien nog sterk bij een gevoel, de ademhaling is veranderd of iemand voelt zich wat licht in het hoofd. Soms is er rust, soms juist onrust. En soms kan iemand heel helder vertellen wat er gebeurd is, terwijl het contact met het eigen lichaam nog wat op de achtergrond blijft.
Dat laatste vind ik bijzonder interessant. We kunnen woorden hebben voor wat er in ons omgaat en tegelijk nog niet helemaal aanwezig zijn bij onszelf. Begrijpen wat er gebeurd is en opnieuw voelen waar je bent, zijn nu eenmaal niet hetzelfde.
### Terugkeren naar het gewone
Daarom vind ik het belangrijk om niet alleen aandacht te hebben voor wat er tijdens een sessie ontstaat, maar ook voor de terugkeer naar het gewone leven. Niet omdat iemand na een sessie per se rustig, ontspannen of helemaal in balans moet zijn. Het leven laat zich tenslotte niet in een bepaalde toestand vastzetten. Wel omdat het verschil maakt of iemand voldoende aanwezig is om weer zelf verder te kunnen.
Dat vraagt soms niet meer dan even vertragen. Opmerken hoe iemand kijkt, luisteren naar de manier waarop die antwoordt of zien hoe de ademhaling verloopt. Voelen de voeten de grond? Is iemand nog wat afwezig, alsof die ergens tussen twee werelden hangt? Of is er opnieuw contact met de ruimte waarin we ons bevinden?
Ik merk hoe gemakkelijk we daarbij opnieuw in ons hoofd kunnen terechtkomen. We willen weten of iemand voldoende gegrond is, of de ademhaling laag genoeg zit en of er nog iets moet gebeuren vooraleer de sessie afgerond kan worden. Alsof er ergens een onzichtbare norm bestaat waaraan iemand moet voldoen om weer naar buiten te mogen.
Maar zo werkt het natuurlijk niet. Niet iedereen hoeft zich na een sessie rustig te voelen. Soms is er nog verdriet, soms blijft er spanning aanwezig en soms is iemand vooral moe. Dat hoeft niet meteen te betekenen dat de sessie niet goed afgerond is. Het gaat er eerder om of iemand voldoende contact heeft met zichzelf en de omgeving om te kunnen voelen wat er op dat moment nodig is.
Een heel gewone vraag kan daarbij soms meer vertellen dan een uitvoerige beschrijving van de innerlijke ervaring. Niet zozeer de inhoud van het antwoord is belangrijk, maar de manier waarop iemand weer contact maakt met het hier en nu. Natuurlijk blijft ook dat maar één signaal, geen sluitend bewijs van hoe iemand zich werkelijk voelt.
### Wat neem je mee wanneer je weer naar buiten stapt?
Er is nog iets wat me bezighoudt. We kunnen tijdens een sessie samen iets ontdekken, maar uiteindelijk is de cliënt degene die daarna verder leeft met wat er aangeraakt werd. Ik kan aanwezig zijn, meevoelen en helpen onderzoeken, maar ik kan niet mee naar huis om op moeilijke momenten even een hand op iemands schouder te leggen.
Misschien hoeft dat ook helemaal niet. Het lijkt me juist waardevol wanneer iemand gaandeweg ontdekt wat hem of haar kan helpen wanneer het leven weer wat ingewikkelder wordt. Soms is dat iets heel eenvoudigs: even naar buiten gaan, de voeten voelen terwijl je staat te wachten, bewust rondkijken in de ruimte of opmerken dat je ademhaling versnelt. Het kan ook betekenen dat je iemand belt, steun vraagt aan een vertrouwd persoon of opnieuw contact opneemt met een hulpverlener wanneer je merkt dat je er zelf niet uit geraakt.
Ik houd niet zo van het idee dat iemand na een traject alles alleen zou moeten kunnen. Zelfstandigheid betekent voor mij niet dat je niemand meer nodig hebt. Het betekent eerder dat je steeds beter leert herkennen wat er in je gebeurt en welke vorm van ondersteuning op dat moment passend is. Soms kun je jezelf helpen, soms heb je iemand anders nodig. Beide horen bij mens-zijn.
En misschien is dat wel een van de belangrijkste dingen die iemand uit een sessie kan meenemen: niet de verwachting dat het voortaan allemaal anders zal zijn, maar een groeiend vermogen om op te merken wat er gebeurt en daar met iets meer vrijheid op te reageren.
### Verandering heeft tijd nodig
We hopen natuurlijk allemaal dat een waardevolle sessie iets in beweging zet. Dat iemand met een nieuw inzicht naar buiten gaat, een patroon begint te herkennen of iets voelt wat voordien buiten bereik leek te liggen. Maar wat op dat moment zichtbaar wordt, is niet noodzakelijk meteen verweven met de rest van iemands leven.
Sommige inzichten hebben tijd nodig om te bezinken. Sommige ervaringen keren pas dagen later terug in de gedachten of in het lichaam. En soms merkt iemand pas veel later dat die in een vertrouwde situatie net iets anders reageert dan vroeger. Niet omdat die bewust een nieuwe techniek heeft toegepast, maar omdat er onderweg iets veranderd is in de manier waarop die zichzelf ervaart.
Dat maakt het voor mij zo boeiend om met mensen te werken. We kunnen niet op voorhand bepalen wat precies zal blijven hangen, welke ervaring op welk moment betekenis krijgt of wanneer iemand klaar is om een volgende stap te zetten. We kunnen wel aandacht geven aan wat zich aandient en aan de overgang van de sessieruimte naar het leven daarbuiten.
Misschien is dat ook een mooie herinnering voor ons als begeleiders. We hoeven niet alles wat tijdens een sessie in beweging komt meteen af te ronden, te verklaren of in een volgende stap om te zetten. Soms is het voldoende om iemand te helpen weer even te voelen waar die is, om van daaruit opnieuw verder te kunnen.
Want uiteindelijk speelt het leven zich niet af in onze praktijkruimte. Het speelt zich af in de kleine momenten van alledag, in ontmoetingen, in onverwachte gebeurtenissen en in de manier waarop iemand daar gaandeweg mee leert omgaan.
Een sessie kan daarin iets openen. Maar wat er daarna groeit, laat zich niet sturen. En misschien hoeven we dat ook niet te willen.
Trauma met een grote T of een kleine t?
Trauma met een grote T of een kleine t?
Moet er eerst iets ergs gebeurd zijn?
Wanneer we het over trauma hebben, denken we al snel aan mensen die een bijzonder moeilijke start in het leven hebben gehad. Kindermisbruik, fysieke mishandeling, opgroeien in een gezin waar verslaving een grote rol speelt, of andere ervaringen waarbij de veiligheid van een kind ernstig in het gedrang komt. We herkennen dat er iets gebeurd is wat een mens diep kan raken en waarvan de gevolgen soms nog vele jaren later voelbaar zijn. En terecht, natuurlijk. Ervaringen als deze kunnen een grote invloed hebben op hoe iemand zich ontwikkelt en hoe die later in het leven staat.
Maar wanneer ik in mijn praktijk met mensen werk, merk ik dat het verhaal niet altijd zo duidelijk is. Sommige mensen vertellen over een jeugd waarin het bijzonder moeilijk was om overeind te blijven. Anderen kijken terug op een leven waarin er eigenlijk best veel goed ging. Er was een gezin, er was liefde, er waren geen grote drama’s. Ze hebben gestudeerd, een relatie opgebouwd, misschien kinderen gekregen, een carrière uitgebouwd en onderweg heel wat voor elkaar gekregen. En toch lopen ze op een bepaald moment tegen zichzelf aan. Ze begrijpen niet goed waarom bepaalde situaties hen zo raken, waarom ze zo moeilijk tot rust komen of waarom ze telkens opnieuw in dezelfde patronen terechtkomen.
Soms hoor ik dan de vraag: ‘Maar heb ik eigenlijk wel trauma? Ik heb toch niets ergs meegemaakt?’
Ik vind dat een begrijpelijke vraag. We willen nu eenmaal kunnen uitleggen waarom we ons voelen zoals we ons voelen. En als er geen duidelijke gebeurtenis aan te wijzen valt, lijkt het logisch om te besluiten dat er ook geen reden is om naar het verleden te kijken. Misschien moeten we gewoon wat sterker worden, minder nadenken of leren om ons niet alles zo aan te trekken.
Alleen vraag ik me af of we daarmee niet voorbijgaan aan iets wat veel minder gemakkelijk zichtbaar is. Want een mens wordt niet uitsluitend gevormd door de grote gebeurtenissen die in een levensverhaal opvallen. We worden ook gevormd door de omstandigheden waarin we opgroeien, door de reacties die we krijgen en door de manier waarop we leren omgaan met wat er in ons leeft.
En dat gebeurt vaak zo vanzelfsprekend dat we er later nauwelijks nog bij stilstaan.
De kleine dingen die groot kunnen worden
Ik groeide zelf op in een warm en gewoon gezin. Wanneer ik mijn jeugd beschrijf, begin ik niet bij grote drama’s of ingrijpende gebeurtenissen. Er was liefde en er waren ongetwijfeld heel wat goede momenten. Toch betekent dat niet dat alles wat ik onderweg over mezelf en het leven geleerd heb, noodzakelijk de beste manier was om later in het leven te staan.
Als kind ontdek je immers niet alleen wie je bent, maar ook hoe je je kunt verhouden tot de mensen rondom je. Je merkt wat gewaardeerd wordt, wanneer er ruimte is voor je gevoelens en hoe je ervoor kunt zorgen dat je erbij hoort. Je leert misschien dat het fijn is wanneer je flink je best doet, dat het beter is om geen ruzie te maken of dat anderen het waarderen wanneer je weinig problemen veroorzaakt. Je hoeft daar niet eens expliciet iets over te horen. Soms volstaat het om te merken hoe mensen reageren wanneer je boos bent, verdrietig wordt of iets anders wilt dan wat er van je verwacht wordt.
Dat zijn vaak geen gebeurtenissen die je later nog precies kunt navertellen. Ze maken gewoon deel uit van het dagelijkse leven. Maar als je als kind telkens opnieuw ervaart dat bepaalde reacties het gemakkelijker maken om je staande te houden, is het niet zo vreemd dat je die reacties blijft gebruiken. Je wordt misschien iemand die altijd zijn best doet, die weinig hulp vraagt of die feilloos aanvoelt wat anderen nodig hebben. En wanneer die eigenschappen later ook nog eens gewaardeerd worden, is er weinig reden om je af te vragen waar ze vandaan komen.
Tot je merkt dat er ook een keerzijde aan zit.
Dat je zo gewend bent om rekening te houden met anderen dat je nauwelijks nog weet wat je zelf wilt. Dat je pas tevreden bent wanneer alles perfect is. Dat je moeilijk kunt verdragen dat iemand boos op je is, ook wanneer je verstandelijk heel goed weet dat je niet verantwoordelijk bent voor de gevoelens van iedereen om je heen.
Dan kun je jezelf afvragen waarom je zo reageert. En misschien kom je uit bij een aantal ervaringen uit je jeugd, maar misschien vind je ook helemaal geen duidelijk antwoord. Dat hoeft niet te betekenen dat er niets te onderzoeken valt. Het kan ook betekenen dat we niet altijd een scherp afgebakende herinnering nodig hebben om te ontdekken hoe we bepaalde manieren van reageren hebben ontwikkeld.
Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om daar niet te ver in door te schieten. Niet iedere perfectionist heeft noodzakelijk trauma meegemaakt. Niet iedere moeilijke reactie is terug te voeren op de kindertijd en niet alles wat we lastig vinden, hoeft een verborgen wond te zijn. Mensen zijn ingewikkelder dan dat, gelukkig maar. Er zijn veel factoren die bepalen hoe we in het leven staan.
Wat ik vooral interessant vind, is dat we onszelf niet hoeven te veroordelen om wat we bij onszelf ontdekken. We hoeven niet eerst te bewijzen dat er vroeger iets ernstigs gebeurd is voordat we nieuwsgierig mogen worden naar de manier waarop we vandaag reageren.
Wanneer het verleden in het heden verschijnt
Misschien herken je het wel. Iemand geeft je een opmerking die op zich niet eens zo bijzonder is, maar je merkt dat die je veel harder raakt dan je had verwacht. Je begint jezelf te verdedigen, legt uitgebreid uit waarom je iets op een bepaalde manier gedaan hebt of blijft achteraf nadenken over wat je beter had kunnen zeggen. En ergens weet je misschien wel dat de situatie niet zo groot was, maar toch krijg je jezelf niet zomaar terug naar de rust die je ervoor voelde.
Dat vind ik een interessant moment om eens bij stil te staan. Niet om onmiddellijk op zoek te gaan naar een traumatische ervaring die alles verklaart, maar om nieuwsgierig te worden naar wat er precies geraakt wordt. Wat maakt dat deze opmerking zo binnenkomt? Waar ben je bang voor op dat moment? Wat probeer je te voorkomen of te beschermen?
Misschien raakt iemand aan een oud gevoel van tekortschieten. Misschien ontstaat er de angst dat je niet goed genoeg bent, dat iemand je afwijst of dat je niet langer meetelt wanneer je een fout maakt. Soms herken je daar iets van uit je verleden. Soms ontdek je vooral hoe sterk je vandaag aan bepaalde verwachtingen vasthoudt. En soms blijkt de situatie gewoon moeilijk, zonder dat er een dieper verhaal achter hoeft te zitten.
Het hoeft niet allemaal in één verklaring te passen.
Voor mij gaat lichaamsgericht traumawerk daarom niet uitsluitend over het verwerken van wat vroeger gebeurd is. Het gaat ook over het leren herkennen van wat er vandaag in je gebeurt. Hoe reageer je wanneer iemand het niet met je eens is? Wat gebeurt er wanneer je je kwetsbaar voelt? Kun je opmerken dat je gespannen raakt voordat je in de verdediging schiet, of merk je het pas wanneer het gesprek alweer voorbij is en je in je hoofd de hele situatie opnieuw aan het afspelen bent?
Soms kun je iets verstandelijk heel goed begrijpen en merk je toch dat je er op het moment zelf anders op reageert dan je zou willen. Je weet dat je niet alles perfect hoeft te doen, maar de gedachte aan een fout blijft je onrustig maken. Je weet dat je je eigen mening mag hebben, maar zodra iemand daar kritisch op reageert, begin je aan jezelf te twijfelen. Alsof er een verschil bestaat tussen wat je inmiddels over jezelf weet en wat je op bepaalde momenten daadwerkelijk kunt ervaren.
Misschien begint er juist daar iets interessants. Niet bij de vraag hoe je ervoor zorgt dat je nooit meer geraakt wordt, maar bij de mogelijkheid om jezelf beter te leren kennen wanneer je wél geraakt wordt. Je hoeft je reactie niet meteen weg te werken. Je mag eerst eens ontdekken wat er gebeurt, wat je nodig hebt en of er misschien een andere manier bestaat om met die situatie om te gaan.
Dat is voor mij een vorm van zelfzorg die veel verder gaat dan af en toe tijd nemen voor jezelf of iets doen waar je blij van wordt. Het gaat ook over de bereidheid om te luisteren naar wat er in je leeft, juist op de momenten waarop je daar liever niet mee bezig bent.
Zelfzorg die verder reikt dan jezelf
Ik geloof dat we als samenleving nog heel wat te ontdekken hebben over de manier waarop we met onze innerlijke wereld omgaan. We vinden het steeds vanzelfsprekender om aandacht te besteden aan onze lichamelijke gezondheid. We weten dat het zinvol is om voldoende te bewegen, goed te eten en naar een arts te gaan wanneer er iets niet klopt. Natuurlijk doen we dat niet allemaal even consequent, maar we begrijpen in grote lijnen waarom het belangrijk is.
Wanneer het over onze innerlijke wereld gaat, ligt dat soms anders. We wachten misschien tot we echt vastlopen voordat we hulp zoeken. Of we vinden dat we ons niet zo moeten aanstellen, omdat er anderen zijn die het veel moeilijker hebben. Misschien denken we dat we het zelf moeten kunnen oplossen, zeker wanneer ons leven er aan de buitenkant behoorlijk goed uitziet.
Ik vraag me weleens af wat er zou veranderen als we het normaler zouden vinden om ook daar aandacht aan te besteden. Niet omdat iedereen noodzakelijk een therapeut nodig heeft, of omdat we voortdurend met onszelf aan de slag moeten. Dat zou een behoorlijk vermoeiende manier van leven worden. Maar wel omdat het waardevol kan zijn om te ontdekken hoe we in elkaar zitten, welke gewoontes ons helpen en welke ons soms in de weg staan.
We hoeven niet te wachten tot de pijn ondraaglijk wordt. We hoeven ook niet eerst een etiket te vinden dat verklaart waarom we ergens last van hebben. Soms is het voldoende om te merken dat een bepaalde manier van reageren ons steeds opnieuw in moeilijkheden brengt en dat we nieuwsgierig zijn naar andere mogelijkheden.
En daar zit voor mij ook iets hoopvols in. Want wanneer we onze eigen reacties wat beter leren begrijpen, ontstaat er misschien meer ruimte om anders met anderen om te gaan. Niet omdat we vanaf dan altijd rustig blijven of nooit meer iets verkeerd interpreteren, maar omdat we soms net iets eerder kunnen opmerken wat er in ons gebeurt.
Misschien lukt het ons dan om even te wachten voordat we reageren. Om een vraag te stellen in plaats van meteen in de verdediging te gaan. Om te luisteren naar wat iemand probeert te zeggen, ook wanneer we het er niet mee eens zijn. Of om te ontdekken dat de boosheid die we voelen niet noodzakelijk betekent dat de ander iets verkeerd heeft gedaan.
Dat zijn kleine verschuivingen, maar ze kunnen wel degelijk verschil maken in hoe we met elkaar samenleven.
Een andere samenleving begint misschien dichterbij dan we denken
Wanneer we nadenken over een betere wereld, komen we al snel uit bij grote vraagstukken. Hoe organiseren we onze samenleving? Hoe gaan we om met conflicten, met verschillen van mening, met ongelijkheid en met de vele problemen waarvoor we oplossingen proberen te vinden? Dat zijn belangrijke vragen, en ik denk zeker niet dat we die kunnen beantwoorden door alleen maar aan onszelf te werken.
Maar ik vraag me wel af hoeveel invloed onze innerlijke wereld heeft op de manier waarop we die grotere vraagstukken benaderen.
Hoe vaak reageren we vanuit angst, gekwetstheid of de behoefte om gelijk te krijgen? Hoe gemakkelijk wordt een verschil van mening een strijd waarin iemand moet winnen en iemand anders moet verliezen? En hoeveel ruimte blijft er dan nog over om werkelijk te luisteren naar wat de ander bedoelt?
We kunnen natuurlijk niet voorkomen dat we geraakt worden. We kunnen ook niet verwachten dat iedereen eerst zijn eigen geschiedenis verwerkt heeft voordat we samen aan de wereld beginnen. Dat zou ons niet ver brengen. Maar misschien kunnen we wel leren om wat bewuster om te gaan met wat er in ons gebeurt, zodat niet iedere oude pijn automatisch het gesprek hoeft over te nemen.
Ik vind dat een gedachte die verder reikt dan het individuele welzijn. Wanneer iemand zich wat veiliger voelt in zichzelf, kan er misschien ook meer ruimte ontstaan om onzekerheid te verdragen, om fouten toe te geven en om niet meteen in de verdediging te schieten wanneer een ander iets anders ziet. Dat maakt ons niet onkwetsbaar en het zorgt er niet voor dat we het altijd met elkaar eens worden. Misschien maakt het ons juist wat vrijer om van mening te verschillen zonder elkaar meteen kwijt te raken.
En daar hoef je geen grootse theorie voor te ontwikkelen. Je kunt beginnen bij jezelf, op het moment waarop je merkt dat je geraakt wordt. Bij die opmerking die blijft hangen, dat gesprek waarin je je niet gehoord voelt of die situatie waarin je zo graag wilt dat de ander begrijpt waarom jij gelijk hebt.
Misschien kun je jezelf dan eens afvragen wat er op dat moment zo belangrijk voor je is. Wat je probeert te beschermen. Of er iets in je geraakt wordt dat ouder is dan deze ene situatie. En wat je nodig zou hebben om je een heel klein beetje veiliger te voelen, zonder dat de ander daarvoor eerst iets anders hoeft te doen.
Misschien vind je geen antwoord. Misschien lukt het pas achteraf om te zien wat er gebeurde. Ook dat hoort erbij. We hoeven niet van ieder moment een leerervaring te maken.
Maar soms ontstaat er net genoeg ruimte om iets anders te proberen. Een ademhaling voordat je antwoordt. Een vraag in plaats van een verwijt. Of de bereidheid om even te luisteren, zonder vooraf te beslissen wat je ervan vindt.
En misschien begint daar wel iets wat groter is dan jezelf.
Niet bij het idee dat we allemaal eerst geheeld moeten zijn om goed met elkaar te kunnen leven, maar bij de bereidheid om onszelf en elkaar wat beter te leren begrijpen. Om niet alles wat moeilijk is meteen als een tekortkoming te zien. En om aandacht te geven aan wat ons gevormd heeft, zonder dat we ons hele leven door het verleden hoeven te laten bepalen.
Misschien is dat uiteindelijk belangrijker dan de vraag of we een grote T of een kleine t achter onze naam kunnen zetten.
Misschien mogen we gewoon nieuwsgierig zijn naar wat ons helpt om met wat meer vrijheid, mildheid en verbondenheid in het leven te staan.
En wie weet hoeveel er dan mogelijk wordt, voor onszelf én voor de wereld waarvan we samen deel uitmaken.
Wat als je cliënt in haar veilige hoofd kruipt?
Wat als je cliënt in haar veilige hoofd kruipt?
Wanneer er plots iets verandert
Ik krijg weleens de vraag hoe ik het aanpak wanneer een cliënt telkens opnieuw in haar hoofd lijkt te schieten. We zijn ergens mee bezig, er komt iets dichterbij en heel even lijkt er iets te bewegen. Je ziet het misschien in de ogen, in een kleine verandering van de gezichtsuitdrukking of in de manier waarop iemand plots stilvalt. En nog voor je goed en wel kunt volgen wat er gebeurt, is het alweer verdwenen. De cliënt begint uit te leggen, te redeneren, verbanden te leggen of te vertellen waarom het eigenlijk allemaal wel meevalt. Alsof er niets bijzonders aan de hand is.
Ik heb op dit moment een cliënt bij wie dat heel herkenbaar gebeurt. Telkens wanneer we dichter bij iets komen wat haar raakt, verschijnt er heel even emotie in haar ogen. Het is soms maar een fractie van een seconde. En dan lijkt er iets dicht te klappen, alsof er een deur sluit waar we net nog een kiertje door konden kijken. Ze begint te praten, probeert te begrijpen wat er gebeurt en overtuigt zichzelf er bijna van dat er niets is om bij stil te staan.
Als begeleider kun je op zo’n moment verschillende dingen denken. Misschien is ze bang voor wat ze zal voelen. Misschien heeft ze meer tijd nodig. Misschien is de stap die we proberen te zetten op dit moment te groot. En natuurlijk kun je proberen om haar te helpen begrijpen wat er gebeurt, of haar voorzichtig uitnodigen om toch nog even bij die emotie te blijven. Maar ik merk dat ik steeds nieuwsgieriger ben geworden naar wat er eigenlijk gebeurt wanneer iemand zich op zo’n moment terugtrekt.
Want wat als dat terugtrekken niet zomaar een hindernis is die we moeten overwinnen? Wat als er iets in die persoon heel goed weet dat het voorlopig beter is om niet verder te gaan?
We zijn gewend om verandering te zien als een beweging naar iets toe. We willen dichter bij onze gevoelens komen, begrijpen wat ons tegenhoudt en ontdekken wat er onder onze patronen verscholen zit. Zeker wanneer je als therapeut met lichaamsgericht werk bezig bent, kan het verleidelijk zijn om dat moment waarop iemand iets begint te voelen te beschouwen als een kans die je niet wilt laten voorbijgaan. Er gebeurt eindelijk iets, en je wilt daar graag bij blijven.
Maar misschien is het juist op dat moment belangrijk om niet te snel te beslissen wat er moet gebeuren.
Het hoofd is er niet zomaar
Ik vind het interessant dat we het hoofd soms bijna als een tegenstander van het voelen beschouwen. Alsof iemand die veel nadenkt, analyseert of verklaart daarmee de toegang tot zichzelf blokkeert en dus geholpen moet worden om daar weer uit te komen. Maar denken is natuurlijk ook gewoon iets wat we doen. Het kan ons helpen om overzicht te houden, om ervaringen te begrijpen en om afstand te nemen wanneer iets te dichtbij komt.
Misschien is dat precies wat er bij mijn cliënt gebeurt. Zodra er iets geraakt wordt wat moeilijk te verdragen is, neemt haar denken het weer over. Ze begint te verklaren waarom ze zich niet zo hoeft te voelen, zoekt naar logische verbanden en probeert de situatie opnieuw overzichtelijk te maken. Vanuit de buitenkant lijkt het alsof ze weggaat bij wat er werkelijk speelt. Maar ik weet niet of ik dat zomaar als een stap achteruit wil bekijken.
Misschien is dat hoofd wel de plek waar ze zich op dit moment nog het veiligst voelt. Daar kan ze begrijpen, ordenen en bepalen hoe ze iets benadert. Ze kent de weg in haar gedachten. Ze kan er woorden aan geven en zichzelf overtuigen dat ze alles onder controle heeft. Wanneer we dichter bij een ervaring komen die zich niet zo gemakkelijk laat begrijpen of beheersen, kan dat vertrouwde houvast plots heel belangrijk worden.
En dan vraag ik me af wat er gebeurt wanneer we proberen om haar daar zo snel mogelijk weer uit te halen. Als ik haar vertel dat ze aan het rationaliseren is, of dat ze opnieuw weggaat bij haar gevoel, kan ze misschien begrijpen wat ik bedoel. Maar daarmee is er nog niets veranderd aan wat ze op dat moment ervaart. Integendeel, ze kan zich ook nog eens bekeken of betrapt voelen, alsof ze iets verkeerd doet terwijl ze juist haar best probeert te doen.
Toen ik bij deze cliënt voorzichtig benoemde wat ik zag gebeuren, raakte ze uit balans. Ze werd duizelig en kreeg buikpijn. Dat was voor mij een belangrijk signaal om niet verder te gaan met uitleggen of proberen te begrijpen, maar om mijn aandacht volledig naar haar lichamelijke ervaring te verplaatsen.
Niet omdat het lichaam altijd een antwoord heeft dat we alleen maar hoeven te ontcijferen, maar omdat er op dat moment iets gebeurde wat we niet langer uitsluitend met woorden konden benaderen.
Misschien moet er eerst iets anders gebeuren
We zijn samen bij de duizeligheid en de buikpijn gebleven. Niet om die sensaties zo snel mogelijk te laten verdwijnen, maar om te onderzoeken wat er gebeurde wanneer we er aandacht aan gaven. Wat merkte ze op? Waar ging haar aandacht naartoe? Wat leek er nodig te zijn? En wat gebeurde er wanneer we niet onmiddellijk probeerden om de ervaring te veranderen?
Gaandeweg werd duidelijk dat er een diep verlangen was om naar binnen te gaan, om zich even terug te trekken en te mogen verdwijnen. Dat vond ik bijzonder, omdat het een heel andere ingang bood dan de gedachte dat ze vooral moest leren om beter bij haar gevoelens te blijven. Misschien was er helemaal niet in de eerste plaats behoefte aan méér contact. Misschien was er eerst behoefte aan de vrijheid om even géén contact te hoeven maken.
We hebben dat deel van haar de ruimte gegeven om zich terug te trekken. We hebben vertraagd en gezocht naar wat haar lichaam nodig had om zich wat veiliger te voelen. Dat proces nam bijna een half uur in beslag. Een half uur waarin we niet probeerden om zo snel mogelijk terug te keren naar het onderwerp waarmee we begonnen waren, maar waarin we aandacht gaven aan de omstandigheden die nodig waren om er überhaupt bij te kunnen blijven.
We zijn letterlijk van context veranderd en zijn van de stoel naar de grond gegaan. Er kwam een deken over haar hoofd, zodat er minder prikkels binnenkwamen en ze zich minder zichtbaar hoefde te voelen. Er speelde zachte muziek op een heel laag volume, niet om iets bijzonders op te roepen, maar als een rustige achtergrond. Kleine aanpassingen, misschien, maar ze veranderden wel de omstandigheden waarin ze haar ervaring beleefde.
Ik vind het mooi om te zien hoe anders een situatie kan worden wanneer we niet uitsluitend proberen te veranderen wat iemand voelt, maar ook aandacht hebben voor wat die persoon op dat moment nodig heeft. We kunnen lang praten over veiligheid, over vertrouwen en over het belang van contact maken met het lichaam. Maar soms zit de beweging niet in een inzicht of een goed gekozen vraag. Soms zit ze in de mogelijkheid om je even te mogen verstoppen, om minder prikkels binnen te krijgen of om niet voortdurend het gevoel te hebben dat je iets moet laten zien.
We hebben daar als volwassenen vaak weinig woorden voor. We zijn gewend om onszelf bij elkaar te rapen, door te zetten en te doen wat nodig is. Als we ergens bang voor zijn, proberen we die angst te begrijpen. Als we ons ongemakkelijk voelen, zoeken we naar een manier om ons weer op ons gemak te voelen. Maar misschien is er ook een andere mogelijkheid: dat we eerst mogen ervaren dat we niet meteen iets hoeven te doen.
Bij mijn cliënt ontstond er pas opnieuw ruimte voor contact en dialoog toen dit deel van haar zich voldoende veilig voelde. Niet doordat we het hadden overtuigd om mee te werken, maar doordat we de tijd hadden genomen om te ontdekken wat er nodig was. Van daaruit kon de sessie zich verdiepen op een manier die eerder niet mogelijk was.
En dat brengt me telkens opnieuw bij de vraag hoeveel er eigenlijk kan veranderen wanneer we minder haast hebben om iets te veranderen.
Veiligheid is soms iets heel concreets
We praten gemakkelijk over veiligheid alsof het een toestand is die je bereikt wanneer je voldoende vertrouwen hebt, je gedachten tot rust zijn gekomen of je je emoties kunt toelaten. Maar in de praktijk merk ik hoe concreet veiligheid soms kan zijn. De manier waarop iemand zit of ligt, het licht in de ruimte, het geluid op de achtergrond, de mogelijkheid om de ogen te sluiten of het gevoel even niet bekeken te worden. Dingen die op het eerste gezicht weinig met de inhoud van een sessie te maken lijken te hebben, kunnen plots heel belangrijk worden.
Dat betekent niet dat er voor iedereen een deken over het hoofd moet of dat een bepaalde omgeving automatisch veiligheid oplevert. Wat voor de ene persoon helpend is, kan voor iemand anders juist ongemakkelijk zijn. Het gaat er niet om dat we een vaste formule vinden waarmee we iemand veilig kunnen maken. Het gaat erom dat we blijven onderzoeken hoe deze ene mens deze ene situatie ervaart.
En daar zit voor mij een wezenlijk verschil tussen weten wat veiligheid betekent en afstemmen op wat iemand nodig heeft om zich veiliger te kunnen voelen. Het eerste kunnen we uit boeken leren. Het tweede vraagt dat we aanwezig blijven bij wat er zich voor onze ogen afspeelt, ook wanneer dat niet overeenkomt met wat we vooraf hadden bedacht.
Misschien is het ook daarom dat ik steeds minder geloof in een vaste volgorde waarin we mensen door hun proces moeten begeleiden. We kunnen kennis hebben, technieken beheersen en weten welke mogelijkheden er bestaan. Dat is allemaal waardevol. Maar geen enkele theorie kan ons vooraf vertellen wat er bij iemand zal gebeuren wanneer we een bepaalde vraag stellen, een oefening aanbieden of even helemaal niets doen.
We moeten blijven kijken. Soms ontdekken we dat iemand meer ruimte nodig heeft om te voelen. Soms dat er eerst meer afstand nodig is. En soms blijkt datgene wat we aanvankelijk als weerstand zagen, ons juist iets vertelt over de omstandigheden waarin iemand probeert om met een moeilijke ervaring om te gaan.
Dat vraagt van mij ook dat ik mijn eigen neiging om vooruit te willen bewegen in de gaten houd. Ik ben nieuwsgierig naar wat er onder de oppervlakte leeft, naar verbanden die zichtbaar worden en naar wat er mogelijk wordt wanneer iemand zichzelf op een andere manier leert ervaren. Maar mijn nieuwsgierigheid hoeft niet het tempo te bepalen waarin een ander dat allemaal ontdekt.
Misschien is het zelfs zo dat ik pas werkelijk ruimte kan geven aan wat er bij iemand leeft wanneer ik niet langer nodig heb dat er iets bijzonders gebeurt.
Wat iemand buiten de sessie meeneemt
Wat ik waardevol vind aan dit proces, is dat het niet beperkt hoeft te blijven tot wat er tijdens onze gesprekken gebeurt. Mijn cliënt kan gaandeweg ook ontdekken welke omstandigheden haar helpen wanneer ze buiten de praktijk duizeligheid of hoofdpijn ervaart, of wanneer ze merkt dat ze het overzicht dreigt te verliezen. Ze kan leren opmerken wat er in haar lichaam gebeurt en experimenteren met manieren om zichzelf wat meer rust en houvast te bieden.
Dat betekent niet dat ze voortaan elke lichamelijke sensatie op dezelfde manier moet aanpakken, of dat ze alles zelf moet kunnen oplossen. Het gaat eerder om het uitbreiden van de mogelijkheden waaruit ze kan putten. Misschien ontdekt ze dat ze op een bepaald moment behoefte heeft aan minder prikkels. Misschien helpt het om even te gaan zitten, de omgeving wat rustiger te maken of niet onmiddellijk een verklaring te zoeken voor wat er gebeurt.
Zo kan er stilaan meer vertrouwdheid ontstaan met haar eigen reacties. Niet omdat ze die allemaal onder controle krijgt, maar omdat ze meer mogelijkheden leert herkennen en niet telkens uitsluitend hoeft terug te vallen op de manier waarop ze het altijd heeft gedaan.
Ik vind dat een belangrijk onderscheid. We proberen iemand niet onafhankelijk te maken van elke vorm van ondersteuning, alsof het de bedoeling is dat die het voortaan allemaal alleen kan. We willen vooral dat iemand zichzelf beter leert kennen en meer vrijheid ervaart in de manier waarop die met het eigen leven omgaat.
En misschien begint die vrijheid niet bij het vermogen om altijd bij je gevoelens te blijven, maar juist bij het ontdekken dat je verschillende mogelijkheden hebt. Dat je soms dichterbij kunt komen en soms afstand nodig hebt. Dat je mag onderzoeken wat er in je leeft zonder dat je jezelf moet forceren om verder te gaan dan op dat moment haalbaar is.
Wat als je zelf in je hoofd kruipt?
Misschien herken je iets van dit verhaal bij jezelf. Je merkt dat je over een bepaalde situatie blijft nadenken, dat je alle mogelijke verklaringen afweegt of dat je telkens opnieuw hetzelfde gesprek in je hoofd voert. Je probeert te begrijpen wat er gebeurd is, wat de ander bedoelde of wat je zelf anders had kunnen doen. En hoe langer je nadenkt, hoe meer nieuwe vragen er lijken te ontstaan.
Je kunt dan eens nieuwsgierig worden naar wat er gebeurt wanneer je je aandacht niet langer uitsluitend bij die gedachten houdt. Niet om je hoofd stil te leggen, want dat is meestal niet iets wat je zomaar kunt beslissen. Maar om op te merken dat je ondertussen ook een lichaam hebt. Misschien voel je spanning in je buik, druk op je borst of onrust in je benen. Misschien merk je vooral dat je moeilijk stil kunt zitten. Of misschien valt er helemaal niets bijzonders op.
Je hoeft daar niet meteen een betekenis aan te geven. Je hoeft ook niet precies negentig seconden vol te houden, alsof er na die tijd vanzelf een inzicht verschijnt. Je kunt even bij een gewaarwording blijven zolang dat prettig en haalbaar voelt, en je aandacht weer naar de omgeving brengen wanneer dat beter voelt. Er hoeft geen ontdekking te volgen en je hoeft niet dieper te gaan dan je op dat moment wilt.
Misschien merk je dat je gedachten wat veranderen wanneer je aandacht ook naar je lichaam gaat. Misschien blijven ze gewoon doorgaan. Beide zijn mogelijk. Het interessante is niet of je erin slaagt om uit je hoofd te komen, maar of je iets meer begint op te merken van wat er allemaal gebeurt wanneer je met een situatie bezig bent.
Want soms willen we zo graag begrijpen waarom we doen wat we doen, dat we vergeten nieuwsgierig te zijn naar hoe het eigenlijk is om onszelf te zijn, precies op dit moment.
En misschien hoeft er dan even geen deur open. Misschien hoeft er niets naar boven te komen en hoeft niemand ergens bij te kunnen.
Misschien is het al voldoende om te ontdekken dat je niet altijd verder hoeft, dat je even mag blijven waar je bent en dat er meer mogelijkheden zijn dan je op het eerste gezicht dacht.
Soms begint een beweging pas wanneer we niet langer proberen om ze af te dwingen.
Woorden die uitnodigen om te voelen
Woorden die uitnodigen om te voelen
Niet alleen wat je zegt, maar hoe je het zegt
In lichaamsgericht traumawerk merk ik steeds opnieuw hoe belangrijk het is om niet alleen aandacht te hebben voor wat we doen, maar ook voor de manier waarop we iemand uitnodigen om iets te ervaren. Je kunt als begeleider een heel mooie oefening in gedachten hebben, zorgvuldig opgebouwd en helemaal afgestemd op wat je met iemand wilt onderzoeken, en toch kan het gebeuren dat je met je woorden precies het tegenovergestelde teweegbrengt van wat je bedoelde. Je wilt iemand uitnodigen om wat meer contact te maken met het lichaam, maar voor je het weet, is die alweer volop aan het nadenken over wat er allemaal zou moeten gebeuren.
Dat vind ik een boeiend gegeven. Want woorden zijn natuurlijk ons vertrouwde gereedschap. We gebruiken ze om uit te leggen, te verduidelijken, vragen te stellen en te begrijpen wat er bij iemand leeft. Wanneer iemand vertelt over een moeilijke ervaring, zijn we vaak geneigd om daarop in te gaan met nog meer vragen. Wat voelde je toen? Wat gebeurde er precies? Wat denk je dat daarachter zit? Allemaal heel begrijpelijke vragen, die soms ook bijzonder waardevol zijn. Maar wanneer we iemand juist willen uitnodigen om even uit het denken te komen en te ervaren wat er in het lichaam gebeurt, kunnen diezelfde vragen ervoor zorgen dat iemand nog wat steviger in het hoofd blijft zitten.
Ik moet dan weleens denken aan het verschil tussen praten over zwemmen en daadwerkelijk in het water stappen. Je kunt iemand van alles vertellen over de temperatuur van het water, over hoe je je armen beweegt en over de manier waarop je blijft drijven. Je kunt er zelfs een bijzonder interessante uitleg over geven. Maar op een bepaald moment is er een andere ervaring nodig, een moment waarop je niet langer alleen probeert te begrijpen wat zwemmen is, maar zelf voelt wat het water met je lichaam doet. En zelfs dan maakt het nogal wat uit hoe je in dat water terechtkomt. Of je rustig kunt wennen, of iemand je vasthoudt, of je meteen het gevoel krijgt dat je moet kunnen zwemmen.
Zo is het voor mij ook met lichaamsgericht werken. We kunnen iemand vertellen dat het belangrijk is om te voelen, maar daarmee weten we nog niet of die persoon daar op dat moment ook toegang toe heeft. En we kunnen iemand uitnodigen om de aandacht naar het lichaam te brengen, maar de manier waarop we dat doen, bepaalt mee welke ruimte er ontstaat om die ervaring aan te gaan.
Een vraag kan je weer aan het denken zetten
Stel dat je iemand vraagt: ‘Wat voel je nu?’ Het lijkt een eenvoudige vraag, en vaak is dat ook zo. Maar voor iemand die sterk vanuit het hoofd leeft, kan die vraag meteen een hele reeks gedachten op gang brengen. Wat voel ik precies? Is dit wel een gevoel? Hoe moet ik dat benoemen? Is het verdriet, angst, boosheid of misschien iets anders? En wat als ik het niet weet?
Voor je het weet, is iemand bezig om het juiste antwoord te vinden. Alsof voelen een soort toets is waarvoor je moet slagen en waarbij je liefst ook nog kunt uitleggen waarom je precies dat antwoord geeft. Terwijl jij misschien gewoon wilde uitnodigen om even stil te staan bij wat er vanbinnen gebeurt.
Het kan dan helpen om de vraag wat te verschuiven. In plaats van te vragen wat iemand voelt, kun je bijvoorbeeld uitnodigen om eens op te merken wat er in het lichaam gebeurt wanneer die even bij een bepaalde gedachte of ervaring stilstaat. Je vraagt niet langer om een antwoord, maar maakt ruimte voor een waarneming. Iemand hoeft nog niet te weten wat die gewaarwording betekent, laat staan dat er meteen een naam op geplakt moet worden.
Dat lijkt misschien een klein verschil, maar het verandert de opdracht die iemand ervaart. Er hoeft niets opgelost of verklaard te worden. Je mag gewoon even opmerken wat er al is.
Ook de woorden waarmee we iemand uitnodigen om de aandacht naar het lichaam te brengen, verdienen wat mij betreft aandacht. Soms zeg ik bijvoorbeeld dat iemand de aandacht zachtjes mag laten zakken en eens mag kijken wat er dan opvalt. Het woord zachtjes is daarin niet zomaar versiering. Het geeft iets aan over de manier waarop iemand de uitnodiging mag benaderen. Je hoeft niet met je aandacht het lichaam binnen te stormen, op zoek naar wat daar allemaal te ontdekken valt. Je mag voorzichtig kijken wat er gebeurt wanneer je wat minder met je gedachten bezig bent.
En misschien gebeurt er helemaal niets bijzonders. Ook dat is een ervaring, al zijn we niet altijd geneigd om dat zo te bekijken. We willen graag dat een oefening iets oplevert, dat er iets voelbaar wordt of dat iemand een stap vooruitzet. Maar wanneer we van voelen opnieuw een opdracht maken, creëren we gemakkelijk precies die druk waarvan we iemand wilden bevrijden.
We hebben alle tijd binnen de tijd
Een van de dingen die ik belangrijk vind in mijn werk, is dat iemand niet het gevoel hoeft te krijgen dat er iets moet gebeuren omdat we nu eenmaal in een sessie zitten. Er is een bepaalde tijd voorzien, dat klopt. Maar binnen die tijd hoeven we niet voortdurend vooruit te gaan. We hoeven niet elke stilte op te vullen of elke gewaarwording verder te onderzoeken. Soms is het voldoende om even bij iets te blijven wat zich aandient, zonder dat we al weten waar het naartoe zal gaan.
We hebben alle tijd binnen de tijd.
Ik hou van die gedachte, omdat ze iets opent wat we in ons gewone leven nogal gemakkelijk uit het oog verliezen. We zijn gewend om tijd in te delen, doelen te stellen en te bekijken hoeveel we binnen een bepaalde periode kunnen bereiken. Dat is handig wanneer je een trein moet halen of een afspraak hebt, maar het is niet altijd de beste manier om met voelen om te gaan. Ons hoofd kan in enkele seconden een heel verhaal opbouwen, terwijl het lichaam soms veel meer tijd nodig heeft om ergens bij te komen. En zelfs dan is er geen garantie dat het zich laat kennen op de manier die we hadden verwacht.
Voor iemand die gewend is om snel te denken en te handelen, kan het vreemd zijn om niet meteen te hoeven reageren. Je vraagt bijvoorbeeld om even de aandacht bij de ademhaling te brengen. Maar ook daar zit een verschil tussen zeggen dat iemand diep moet ademhalen en uitnodigen om de adem gewoon te laten zijn zoals die op dat moment is. In het eerste geval krijgt iemand iets te doen. Misschien probeert die de ademhaling te veranderen, om het goed te doen of om sneller tot rust te komen. In het tweede geval hoeft er niets aangepast te worden. Je kunt gewoon opmerken hoe je ademt, zonder dat je ademhaling aan een bepaalde verwachting moet voldoen.
Dat is voor mij een belangrijk onderscheid. We hoeven iemand niet naar een bepaalde toestand te begeleiden om de oefening geslaagd te laten zijn. Ontspanning kan ontstaan, maar dat hoeft niet het doel te zijn. Soms merkt iemand juist meer spanning op wanneer de aandacht naar het lichaam gaat. Ook dat vraagt geen automatische correctie. Het vraagt vooral dat we blijven kijken naar wat er gebeurt en of er voldoende ruimte is om daarbij te blijven.
Daarom vind ik het ook zo belangrijk om niet alleen te luisteren naar de woorden van een cliënt, maar aandacht te hebben voor het tempo waarin die beweegt, voor wat er verandert wanneer we iets vragen en voor de momenten waarop het contact met het lichaam weer naar de achtergrond verdwijnt. We hoeven niet alles te benoemen. Soms is een korte uitnodiging voldoende, waarna we de ruimte laten om te ervaren wat die teweegbrengt.
De kunst van het niet invullen
Er zit nog iets anders in de woorden die we gebruiken. We kunnen met een vraag niet alleen iemand uitnodigen om te voelen, maar ook onbedoeld al aangeven wat die zou moeten voelen.
Wanneer ik bijvoorbeeld vraag waar iemand spanning voelt, ga ik er eigenlijk al van uit dat er spanning is. Misschien is die er, maar misschien ook niet. En als iemand moeite heeft om iets te ervaren, kan die vraag ervoor zorgen dat die op zoek gaat naar spanning omdat dat blijkbaar is wat er verwacht wordt.
Ik probeer daarom zo veel mogelijk ruimte te laten voor wat iemand zelf opmerkt. Je kunt bijvoorbeeld vragen of iemand eens wil kijken waar de aandacht vanzelf naartoe gaat in het lichaam. Misschien valt er iets op in de borst, misschien in de buik, misschien bij de voeten. Misschien gaat de aandacht voortdurend ergens anders naartoe. Ook dat kan interessant zijn, zonder dat we er meteen een verklaring aan hoeven te verbinden.
Want zodra we zelf gaan invullen wat er aan de hand is, bestaat het risico dat iemand zich gaat richten naar onze verwachting. Dat gebeurt niet noodzakelijk bewust. We zijn nu eenmaal gevoelig voor wat anderen van ons lijken te verwachten, zeker wanneer we gewend zijn om het goed te willen doen. Als begeleider heb je dus niet alleen invloed door de oefeningen die je aanbiedt, maar ook door de kleine aanwijzingen die je onderweg geeft.
Dat vraagt een zekere terughoudendheid. Niet omdat we zo weinig mogelijk zouden moeten zeggen, maar omdat het soms waardevol is om ons af te vragen of onze woorden werkelijk ruimte openen of toch vooral een richting opleggen.
Ik denk daarbij ook aan de uitnodiging om het lichaam te laten bewegen. Wanneer iemand een impuls tot bewegen ervaart, kan het helpend zijn om daar nieuwsgierig naar te worden. Maar ook dan hoeft de begeleider niet te bepalen welke beweging er moet komen of hoe ver iemand daarin moet meegaan. Er is een verschil tussen toestemming geven om een beweging te onderzoeken en iemand aanmoedigen om zich er volledig aan over te geven. Voor de ene persoon voelt dat laatste bevrijdend, voor de andere kan het juist te veel zijn.
En misschien is dat wel een van de redenen waarom ik het werken met mensen zo boeiend blijf vinden. Je kunt veel weten over trauma, over het lichaam en over de manieren waarop mensen zich beschermen, maar uiteindelijk zit er een mens voor je die niet samenvalt met wat je weet. Je moet blijven kijken, blijven luisteren en bereid zijn om je eigen ideeën onderweg bij te stellen. Geen enkele zin werkt altijd, en geen enkele techniek vertelt je vooraf precies wat er bij iemand zal gebeuren.
Woorden als een uitnodiging, geen opdracht
Soms vragen mensen me welke woorden ze het best gebruiken wanneer ze iemand willen begeleiden naar meer lichaamsbewustzijn. Ik begrijp die vraag, want het is prettig om een paar zinnen achter de hand te hebben wanneer je nog zoekende bent naar de juiste manier om iets te verwoorden. Toch denk ik dat het uiteindelijk minder gaat om het onthouden van een lijstje dan om de houding van waaruit je die woorden gebruikt.
Een zin als ‘Je hoeft niet te weten wat je voelt, je mag gewoon eens opmerken wat er is’ kan iemand helpen om wat minder hard te zoeken naar een antwoord. Maar als je die zin uitspreekt terwijl je ondertussen verwacht dat er toch iets bijzonders zal gebeuren, kan die uitnodiging alsnog als een opdracht aanvoelen. De woorden zijn dan misschien zacht, maar de verwachting erachter is dat niet noodzakelijk.
Omgekeerd kan een heel eenvoudige vraag veel ruimte geven wanneer ze werkelijk open is. ‘Wat merk je op als je hier even bij blijft?’ Je hoeft niet te weten wat iemand zal antwoorden. Je hoeft zelfs niet te weten of er een antwoord komt. Je geeft iemand de gelegenheid om zelf te ontdekken wat er gebeurt, en je blijft beschikbaar voor wat zich aandient.
Daar zit voor mij de kern van het werk. Niet in het vinden van de perfecte zin die het lichaam als vanzelf laat spreken, maar in het ontwikkelen van een manier van aanwezig zijn waarin iemand niet voortdurend het gevoel heeft iets te moeten bereiken. Je woorden kunnen daarin een brug vormen, maar je hoeft die brug niet helemaal voor iemand uit te bouwen. Soms is het voldoende om een eerste plank neer te leggen en te kijken of de ander erop wil stappen.
En misschien begint dat oefenen niet eens in je praktijk, maar gewoon in je eigen leven. Je merkt dat je gespannen bent en vraagt jezelf niet meteen waarom. Je voelt je voeten op de grond terwijl je naar iemand luistert. Of je staat na het douchen even stil bij het contact van de handdoek met je huid, zonder van die paar seconden een oefening te maken die je goed moet uitvoeren.
Je kunt eens opmerken welke woorden je tegen jezelf gebruikt wanneer je iets voelt wat je niet meteen begrijpt. Ga je op zoek naar een verklaring? Probeer je het gevoel weg te redeneren? Of kun je jezelf ook eens uitnodigen om er even bij te blijven, zonder dat je al weet wat het betekent?
Misschien merk je dat je daarin niet altijd dezelfde ruimte hebt. De ene dag gaat het vanzelf, de andere dag ben je alweer volop aan het denken voordat je het goed en wel beseft. Dat hoeft niet anders. Het is geen nieuwe vaardigheid die je zo snel mogelijk onder de knie moet krijgen.
Want uiteindelijk gaat het er niet om dat we het hoofd uitschakelen om het lichaam aan het woord te laten. Ons denken hoort net zo goed bij ons als ons voelen. Het gaat er eerder om dat we niet altijd onmiddellijk hoeven te kiezen voor begrijpen, verklaren of oplossen. Dat er ook momenten mogen zijn waarop we iets ervaren zonder het meteen in woorden te vangen.
En misschien is dat wel de mooiste uitnodiging die we iemand kunnen geven: niet om iets te voelen wat er nog niet is, maar om wat meer ruimte te maken voor wat zich op zijn eigen manier wil laten ervaren.
Wanneer het lichaam mag voelen
Wanneer het lichaam mag voelen
Wanneer woorden in de weg zitten
Vorige week zat ik samen met een klant die het voelen als iets kwetsbaars en ongrijpbaars ervaart. Ze kan er even bij komen, een glimp opvangen van wat er vanbinnen leeft, maar zodra ze probeert te verwoorden wat ze voelt, glipt het weer weg. Haar denken neemt het over, alsof het haar wil helpen om niet kwijt te raken wat ze net even heeft aangeraakt. En voor ze het weet, zijn we opnieuw aan het praten over wat er gebeurt, terwijl het voelen zelf ergens naar de achtergrond verdwenen is.
Ik vind dat een boeiend moment, omdat het zo duidelijk maakt hoe moeilijk het soms kan zijn om bij een ervaring te blijven zonder er meteen iets mee te doen. We zijn gewend om woorden te zoeken, verbanden te leggen en te begrijpen wat iets betekent. Dat helpt ons om de wereld overzichtelijk te maken. Wanneer we ergens mee zitten, gaan we nadenken over de oorzaak, over wat we anders zouden kunnen doen en over hoe we ervoor kunnen zorgen dat het beter gaat. Dat is een heel menselijke beweging, en ik zou de waarde van ons denkvermogen zeker niet willen onderschatten. Maar soms komt dat denken zo snel tussenbeide dat we nauwelijks de kans krijgen om te ontdekken wat er eigenlijk gebeurt wanneer we even niet proberen te begrijpen.
Misschien herken je dat wel. Iemand vraagt hoe het met je gaat en voor je het weet, vertel je wat er de afgelopen dagen allemaal gebeurd is. Je legt uit waarom je moe bent, waarom je je ergens aan geërgerd hebt of waarom je het moeilijk hebt met een bepaalde situatie. Je verhaal klopt misschien helemaal, en toch is er een verschil tussen vertellen wat er met je aan de hand is en daadwerkelijk voelen wat dat met je doet. Je kunt perfect uitleggen waarom iets je verdrietig maakt zonder op dat moment werkelijk bij je verdriet te komen. En soms merk je pas hoe gespannen je bent wanneer iemand je vraagt om even stil te staan en te voelen wat er nu, op dit ogenblik, in je lichaam gebeurt.
Dat laatste blijkt niet voor iedereen vanzelfsprekend te zijn. Voor sommigen is het lichaam een vertrouwde plek waar ze gemakkelijk contact mee maken. Voor anderen is het eerder een terrein waar ze niet zo goed de weg kennen, of waar ze liever niet te lang blijven rondkijken. Misschien hebben ze geleerd om vooral op hun verstand te vertrouwen, misschien zijn ze zo gewend geraakt aan het doorgaan dat stilstaan vreemd aanvoelt. En misschien is het voelen ooit zo overweldigend geweest dat het veel prettiger was om er wat afstand van te houden.
Ik vind het belangrijk om daar niet te snel een probleem van te maken. Want als denken je lange tijd geholpen heeft om je staande te houden, waarom zou je die manier van omgaan met het leven dan zomaar loslaten? Wat wij soms een beschermingsmechanisme noemen, kan evengoed een bijzonder slimme manier zijn geweest om met omstandigheden om te gaan waarvoor je toen nog niet de mogelijkheden had om er anders mee om te gaan. Het denken heeft je misschien geholpen om overzicht te houden, om door te gaan en om niet overspoeld te raken door wat je voelde. Daar hoeft niets mis mee te zijn. Alleen kan er later een moment komen waarop je merkt dat je graag wat meer toegang zou krijgen tot dat andere deel van jezelf, dat niet in de eerste plaats met woorden werkt.
Niet alles hoeft meteen open
In mijn werk merk ik hoe belangrijk het is om niet alleen aandacht te hebben voor wat iemand voelt, maar ook voor de ruimte die er op dat moment is om dat gevoel toe te laten. We zouden kunnen denken dat iemand die moeilijk bij zijn gevoelens komt vooral meer tijd nodig heeft om te voelen, of wat extra aanmoediging om zich open te stellen. Maar soms is het net andersom. Soms ontstaat er meer ruimte wanneer iemand niet méér hoeft te doen, niet verder hoeft te zoeken en zich zelfs even helemaal mag terugtrekken.
Ik moest bij mijn klant denken aan een schelp. Een schelp die zich sluit wanneer dat nodig is en pas weer opengaat wanneer de omstandigheden daarvoor geschikt zijn. We verwachten van een schelp toch ook niet dat ze zich op ons verzoek opent? We kunnen ernaar kijken, wachten en de omstandigheden rustig laten zijn wat ze zijn. Misschien gaat ze vanzelf weer open, misschien duurt het langer dan we hadden gedacht. Het heeft weinig zin om eraan te trekken, want daarmee bereiken we waarschijnlijk vooral het tegenovergestelde van wat we willen.
Bij mensen ligt dat natuurlijk wat ingewikkelder, maar de vergelijking helpt me om te blijven kijken naar wat er op dat moment mogelijk is. Wanneer iemand zich terugtrekt, hoeft dat niet te betekenen dat er niets gebeurt of dat de begeleiding vastloopt. Misschien is het precies wat er nodig is om niet nog verder over de eigen grenzen te gaan. En als we dat kunnen laten bestaan zonder er onmiddellijk iets aan te willen veranderen, ontstaat er soms een heel andere ruimte. Een ruimte waarin iemand niet hoeft te presteren, ook niet in het voelen.
Dat vraagt van mij als begeleider dat ik mijn eigen verwachtingen in de gaten houd. Ik kan een oefening klaar hebben, een bepaalde richting in gedachten hebben of vermoeden waar iemand naartoe zou kunnen bewegen. Maar dat betekent niet dat die beweging op dat moment ook de juiste is. Wat voor de ene persoon een fijne uitnodiging is om wat meer contact te maken met het lichaam, kan voor iemand anders net te veel zijn. En wat vandaag lukt, hoeft morgen niet opnieuw te lukken. Het lichaam houdt zich nu eenmaal niet altijd aan het tempo dat wij met ons hoofd hebben bedacht.
Daarom begint lichaamsgericht werken voor mij niet bij een techniek die ik zo goed mogelijk probeer toe te passen. Het begint bij de mens die voor me zit, bij wat ik opmerk en bij de vraag hoeveel ruimte er op dit moment werkelijk is. Soms kunnen we wat langer stilstaan bij een lichamelijke gewaarwording. Soms is een heel korte aanraking met wat er vanbinnen leeft al voldoende. En soms blijkt het beter om helemaal niet dieper te gaan, maar eerst wat meer afstand te laten ontstaan.
Dat klinkt misschien alsof we weinig doen, maar ik denk dat daar juist een belangrijk deel van het werk zit. Niet alles wat mogelijk is, hoeft ook meteen te gebeuren. En niet iedere beweging vooruit hoeft zichtbaar te zijn.
Eerst maar eens voelen wat er al is
Wanneer ik iemand uitnodig om via een bodyscan contact te maken met het lichaam, gaat het er dan ook niet om dat die persoon zo veel mogelijk moet voelen of dat we alle delen van het lichaam zorgvuldig moeten afwerken. Het is geen opdracht waarbij je op het einde kunt zeggen dat je overal geweest bent en dat de oefening dus geslaagd is. We zijn zo gewend om ergens naartoe te werken dat we zelfs van voelen nog een prestatie kunnen maken. Je moet ontspannen, je moet contact maken met je lichaam en liefst ontdek je onderweg ook nog iets waardevols over jezelf.
Maar wat als dat allemaal even niet hoeft?
Misschien voel je je ademhaling. Misschien merk je dat je voeten contact maken met de grond. Misschien is er ergens spanning, terwijl je op een andere plek nauwelijks iets gewaarwordt. En misschien voel je helemaal niets bijzonders. Ook dat hoeft niet meteen iets te betekenen. Het lichaam hoeft zich niet op commando kenbaar te maken, en we hoeven niet overal een verklaring voor te vinden.
Ik vind het vaak helpend om te beginnen bij wat wél voelbaar is. Als iemand bijvoorbeeld merkt dat het contact van de voeten met de grond prettig aanvoelt, kunnen we daar even bij blijven. We hoeven niet onmiddellijk naar die plek te gaan waar het moeilijk wordt, alleen omdat we denken dat daar het belangrijkste werk te doen is. Het is ook mogelijk om eerst wat meer vertrouwd te raken met het ervaren zelf, met het eenvoudige gegeven dat je iets kunt opmerken zonder er iets mee te moeten doen.
Van daaruit kan er misschien wat meer nieuwsgierigheid ontstaan. Niet de nieuwsgierigheid van het hoofd dat wil weten waarom iets zo is, maar de bereidheid om te ontdekken wat er gebeurt wanneer je er even bij blijft. Verandert er iets? Blijft het hetzelfde? Wordt het duidelijker, of verdwijnt het weer naar de achtergrond? Je hoeft het niet te weten voordat je begint. Je mag het onderweg ontdekken.
Dat is ook waarom ik zelden met één standaardopname voor een bodyscan werk. Ik stem de oefening af op de persoon die voor me zit en op wat er op dat moment mogelijk is. Soms vraagt dat om een korte, eenvoudige verkenning. Soms is er ruimte voor een langere reis door het lichaam. En soms zit de belangrijkste beweging niet in wat we toevoegen, maar in wat we achterwege laten.
Ik vind het mooi dat lichaamswerk op die manier niet alleen gaat over het leren voelen, maar ook over het leren respecteren van wat zich aandient. Je hoeft niet verder te gaan dan waar je op dit moment kunt komen. Je hoeft ook niet te bewijzen dat je ergens bij kunt. Misschien is het al voldoende om te merken dat je iets liever niet voelt, en om daar niet meteen overheen te stappen.
Het gewone leven als ingang
En eigenlijk hoeft dat verkennen niet beperkt te blijven tot een sessie of een moment waarop je bewust met lichaamswerk bezig bent. We lopen de hele dag met ons lichaam rond, al leven we soms alsof het vooral bedoeld is om ons hoofd van de ene activiteit naar de andere te vervoeren. We denken, plannen, praten, werken en regelen, en ondertussen brengt datzelfde lichaam ons voortdurend in contact met de wereld. Alleen staan we daar niet altijd bij stil.
Neem nu het moment waarop je na een douche of bad je afdroogt. Dat is doorgaans niet bepaald een activiteit waarbij je uitgebreid stilstaat bij je lichaam. Je neemt de handdoek, droogt je af en gaat verder met wat er nog op je programma staat. Maar wat gebeurt er wanneer je dat moment een beetje vertraagt? Wanneer je niet alleen de handeling uitvoert, maar ook opmerkt hoe de handdoek je huid raakt, hoe de druk van je hand verandert of hoe het contact op de ene plek anders aanvoelt dan op de andere?
Je hoeft daar geen speciale oefening van te maken. Je hoeft niet met gesloten ogen door je lichaam te reizen of achteraf te noteren wat je allemaal ervaren hebt. Je kunt gewoon even nieuwsgierig zijn naar iets wat je anders nauwelijks opmerkt. Misschien voelt het aangenaam, misschien doet het je weinig en misschien merk je dat je gedachten alweer ergens anders zitten. Dat is allemaal prima. Je hoeft jezelf niet terug te fluiten alsof je iets verkeerd doet. Je kunt gewoon opnieuw opmerken wat er gebeurt.
Hetzelfde kan wanneer je handen op je huid rusten, wanneer je rug de leuning van een stoel raakt of wanneer je buiten wandelt en de wind langs je gezicht voelt gaan. We hoeven niet voortdurend bewust met ons lichaam bezig te zijn. Dat zou behoorlijk vermoeiend worden. Maar er mogen wel momenten zijn waarop we niet alleen dóór het leven bewegen, maar ook even ervaren dat we erin aanwezig zijn.
Misschien ontdek je dat je op bepaalde momenten gemakkelijk contact maakt met je lichaam en op andere momenten nauwelijks. Ook dat kan veranderen naargelang je dag, je stemming of de omstandigheden waarin je je bevindt. Het is geen wedstrijd en er is geen eindpunt waarop je kunt zeggen dat je nu definitief hebt leren voelen. Gelukkig maar, want anders zou er weer iets zijn dat we goed moeten doen.
Wat me hierin blijft boeien, is hoe weinig er soms nodig is om iets anders te ervaren. Niet noodzakelijk een groot inzicht of een bijzondere gebeurtenis, maar een klein moment waarin je aandacht even verschuift. Van het bedenken naar het waarnemen. Van het zoeken naar een antwoord naar het toelaten van een ervaring die nog geen woorden heeft.
En misschien is dat wel voldoende voor nu. Je hoeft niet te weten wat het betekent, waar het vandaan komt of wat je ermee moet doen. Je mag gewoon even merken dat je lichaam er is, dat het contact maakt met de wereld en dat jij daar, heel even, aandacht aan geeft.
Niet om iets te bereiken.
Maar om te ervaren hoe het is wanneer je niet alles hoeft te begrijpen voordat je iets mag voelen.