Wanneer boosheid zich stil verstopt in je lichaam
“Ik ben eigenlijk nooit boos.”
Het is een uitspraak die ik vaker hoor. Mensen die zichzelf omschrijven als rustig, geduldig of iemand die liever geen ruzie maakt. Ze zijn niet snel kwaad, proberen rekening te houden met anderen en zoeken meestal naar een manier om de vrede te bewaren. En misschien klopt dat ook wel. Niet iedereen uit boosheid op dezelfde manier. Maar soms ben ik nieuwsgierig naar wat er gebeurt wanneer we wat langer stilstaan bij die ogenschijnlijke afwezigheid van boosheid. Want wat betekent het eigenlijk wanneer je nooit boos bent? Voel je die emotie werkelijk niet, of heb je ergens onderweg geleerd om haar niet meer zo gemakkelijk op te merken? En als je wel iets voelt, maar het geen boosheid noemt, waar geef je die ervaring dan een plek?
Ik vind het boeiend hoe verschillend we leren omgaan met emoties. Sommige mensen laten vrij gemakkelijk merken wanneer iets hen niet bevalt. Anderen slikken hun woorden in, passen zich aan of vertellen zichzelf dat het allemaal niet zo belangrijk is. Soms zijn ze zich daar nauwelijks van bewust. Het is gewoon de manier waarop ze al jarenlang met situaties omgaan. Misschien herken je het wel. Je bent ergens niet tevreden over, maar je zegt er niets van. Je vindt het niet prettig dat iemand alweer iets van je verwacht, maar je doet het toch. Je merkt dat je eigenlijk liever iets anders zou willen, maar je denkt dat het gemakkelijker is om je aan te passen. En wanneer iemand vraagt of er iets scheelt, antwoord je dat alles prima is. Tot je op een dag merkt dat je schouders voortdurend gespannen zijn, dat je kaken op elkaar geklemd zitten of dat je bij het minste of geringste geïrriteerd reageert. Je weet niet precies waarom. Je bent toch helemaal niet boos?
Wat we onderweg leren over boosheid
Boosheid krijgt niet in elk gezin dezelfde plek. In het ene gezin mag je als kind duidelijk laten merken dat je iets niet wilt. In het andere wordt boosheid al snel gezien als lastig, overdreven of ongepast. Misschien kreeg je te horen dat je niet zo moeilijk moest doen, dat je je moest gedragen of dat boos worden nergens toe leidde. Een kind is afhankelijk van de volwassenen om zich heen. Het wil erbij horen, liefde ervaren en begrijpen hoe het zich in zijn omgeving kan bewegen. Wanneer boosheid telkens leidt tot afwijzing, ruzie of afstand, kan het kind besluiten om die emotie liever niet meer te laten zien. Soms leert het zelfs om haar niet meer zo goed te voelen. Dat hoeft geen bewuste beslissing te zijn. Je gaat gewoon steeds beter aanvoelen wat er van je verwacht wordt. Je leert flink te zijn, rekening te houden met anderen en je eigen ongenoegen niet te veel ruimte te geven. Misschien word je wel het kind dat nooit problemen veroorzaakt, dat altijd behulpzaam is of dat de sfeer probeert goed te houden.
En daar is op zich niets mis mee. Rekening houden met anderen kan een mooie eigenschap zijn en rustig blijven in een conflict kan bijzonder waardevol zijn. Alleen wordt het ingewikkelder wanneer je zo gewend raakt aan het aanpassen dat je niet meer goed weet waar jij zelf staat. Wanneer je pas merkt dat iets te veel is geworden als je lichaam protesteert, je uitgeput raakt of je plots veel feller reageert dan je van jezelf gewend bent. Ik zou daarom niet zomaar willen besluiten dat iemand die weinig boosheid ervaart, die emotie noodzakelijk onderdrukt. Misschien is iemand inderdaad zelden boos. Maar het kan ook interessant zijn om eens te onderzoeken of er situaties zijn waarin je jezelf iets ontzegt omdat je bang bent voor wat er zou gebeuren als je je ongenoegen wél laat merken. Want soms gaat het niet zozeer over de vraag of je boos bent, maar over de ruimte die je jezelf toestaat om ergens niet mee akkoord te gaan.
Wanneer je lichaam iets lijkt te vertellen
Ik denk aan Annemie, die bij me kwam met aanhoudende spanning in haar nek, schouders en kaak. Ze beschreef zichzelf als iemand die weinig emoties voelde en zeker niet snel boos werd. Ze was gewend om zich aan te passen aan de verwachtingen van anderen en had vaak weinig aandacht voor wat ze zelf wilde. Toen we samen wat langer stilstonden bij haar kindertijd, kwamen herinneringen naar boven waarin boosheid weinig ruimte kreeg. Wanneer ze als kind gefrustreerd of kwaad reageerde, werd haar reactie vaak afgewezen of geminimaliseerd. Ze had geleerd dat het gemakkelijker was om haar boosheid niet te laten zien.
Wat me daarin raakt, is hoe vanzelfsprekend zo'n manier van omgaan met jezelf kan worden. Je hoeft niet voortdurend bewust te denken dat je niet boos mag zijn. Je hebt misschien gewoon nooit geleerd om die emotie als een waardevol signaal te herkennen. Je merkt wel dat iets onaangenaam voelt, maar gaat er snel overheen. Je voelt spanning, maar probeert te ontspannen zonder je af te vragen wat die spanning misschien met de situatie te maken heeft. Tijdens ons werk gingen we niet meteen op zoek naar verklaringen of oplossingen. We brachten aandacht naar wat ze lichamelijk ervaarde: haar ademhaling, de spanning in haar schouders en wat er gebeurde wanneer ze daar even bij bleef zonder zichzelf te moeten veranderen. Geleidelijk kwam er iets anders in beeld dan alleen spanning. Ze begon ook iets van kracht te ervaren. Niet de kracht om uit te halen of haar gelijk te halen, maar de kracht om te voelen dat iets voor haar niet klopte. Om te merken dat ze iets niet wilde, dat een grens bereikt was of dat ze ergens anders over dacht dan de mensen rondom haar.
Ik vind het belangrijk om daarbij niet te snel conclusies te trekken. Spanning in je nek of kaken betekent niet automatisch dat je boosheid onderdrukt. Lichamelijke spanning kan allerlei oorzaken hebben. Maar wanneer je merkt dat je bepaalde emoties moeilijk herkent, kan je lichaam wel een ingang bieden om nieuwsgieriger te worden naar je ervaring. Misschien merk je eerst alleen dat je buik zich samentrekt wanneer iemand iets van je vraagt. Of dat je adem even stokt wanneer iemand over je grens gaat. Je weet nog niet precies wat je voelt, maar je begint wel iets op te merken wat je vroeger misschien meteen voorbijging. En soms is dat al een hele verandering.
Boosheid hoeft niet te ontploffen
We denken bij boosheid vaak aan een luide stem, een boze blik, een deur die dichtgeslagen wordt of woorden waar we later spijt van krijgen. Geen wonder dat we die emotie liever wat op afstand houden wanneer we zulke ervaringen kennen. Wie wil er nu iemand kwetsen of een relatie op het spel zetten? Maar boosheid hoeft zich niet op die manier te uiten. Ze kan ook een stille gewaarwording zijn dat iets niet klopt. Een innerlijk nee. Een gevoel dat je niet langer wilt meegaan in wat iemand van je verwacht. Of het besef dat je al te lang rekening hebt gehouden met anderen en jezelf daarbij bent kwijtgeraakt.
In die zin kan boosheid ons iets laten zien over onze grenzen. Ze kan duidelijk maken dat er iets gebeurt waar we niet mee akkoord gaan, dat een behoefte onvoldoende ruimte krijgt of dat we een situatie anders willen aanpakken. Dat betekent niet dat elke boosheid bewijst dat iemand anders over je grens is gegaan. Soms worden we ook boos wanneer iets anders loopt dan we hadden gehoopt, wanneer we ons machteloos voelen of wanneer een oude ervaring wordt geraakt. De emotie vertelt ons dus niet automatisch wat we moeten doen. Ze kan ons wel uitnodigen om even stil te staan en te onderzoeken wat er aan de hand is. Misschien ontdek je dat je inderdaad een grens wilt aangeven. Misschien merk je dat je iets verkeerd hebt begrepen. Of misschien zit er onder je boosheid vooral verdriet, teleurstelling of angst. Je hoeft dat niet meteen te weten. Het begint ermee dat je jezelf de ruimte geeft om te voelen wat er gebeurt, zonder de ervaring onmiddellijk weg te redeneren of ernaar te handelen.
Want voelen dat je boos bent, is niet hetzelfde als boos handelen. Je kunt een emotie ernstig nemen zonder iemand anders te kwetsen. Je kunt erkennen dat iets je raakt en toch rustig blijven nadenken over wat je ermee wilt doen. Misschien wordt het daardoor ook gemakkelijker om boosheid niet langer als een gevaarlijke emotie te beschouwen die je zo snel mogelijk moet beheersen. Ze wordt dan eerder iets waar je naar kunt luisteren, zonder dat ze het voor het zeggen hoeft te krijgen.
Een gevoel leren herkennen
Wat ik zelf interessant vind, is hoe abstract emoties soms kunnen blijven zolang we ze vooral proberen te begrijpen. We kunnen uitgebreid vertellen waarom we ergens last van hebben, maar wanneer iemand vraagt wat we op dat moment precies voelen, wordt het plots moeilijker. Daarom kan het helpen om de aandacht eens te verleggen van de verklaring naar de ervaring zelf. Niet alleen denken aan een situatie waarin je boos was, maar je ook afvragen hoe je die boosheid eigenlijk herkent. Wat verandert er in je lichaam? Voel je warmte, druk, spanning, een samentrekking of juist de neiging om weg te bewegen? Misschien merk je iets in je buik, je borst, je handen of je gezicht. Misschien is het helemaal niet duidelijk waar je iets voelt. Je hoeft daar geen juist antwoord op te vinden. En je hoeft jezelf ook niet in een emotie te brengen die er op dat moment niet is. Het kan al voldoende zijn om terug te denken aan een situatie waarin je je gefrustreerd voelde en nieuwsgierig te worden naar wat je toen lichamelijk opmerkte.
Soms helpt het om je die gewaarwording voor te stellen als een beeld. Als je spanning een vorm of een kleur had, hoe zou die er dan uitzien? Is ze hard of zacht, groot of klein, stilstaand of bewegend? Misschien verschijnt er een beeld dat je zelf verrassend vindt. Het hoeft niet logisch te zijn. Het is geen test waarvan de uitkomst je precies vertelt wat er aan de hand is, maar een speelse manier om woorden te vinden voor iets wat zich niet altijd gemakkelijk laat beschrijven.
Ik merk dat zo'n manier van kijken mij helpt om signalen eerder op te merken. Niet omdat ik voortaan altijd meteen weet wat er aan de hand is, maar omdat ik mijn lichamelijke ervaring minder snel voorbijga. Soms merk ik dat ik ergens weerstand bij voel terwijl ik nog vriendelijk aan het uitleggen ben waarom ik het wel zal doen. Dan kan ik mezelf de vraag stellen of ik dat eigenlijk wel wil, of dat ik alweer automatisch rekening aan het houden ben met wat een ander nodig heeft. Dat geeft me de mogelijkheid om even stil te staan voordat ik antwoord. Misschien wil ik het uiteindelijk nog altijd doen. Misschien wil ik iets anders voorstellen. Of misschien voel ik dat ik ergens een grens moet aangeven. Het verschil zit voor mij niet in het feit dat ik nooit meer over mijn grenzen zou gaan. Het zit erin dat ik ze steeds iets sneller begin op te merken.
Je hoeft niet minder jezelf te worden om rekening te houden met anderen
Misschien hebben we boosheid soms wat te snel ingedeeld bij de emoties die we liever niet voelen. We willen aardig zijn, begripvol blijven en goede relaties onderhouden. En daar is niets mis mee. Maar wanneer aardig zijn betekent dat je voortdurend over je eigen grenzen heen gaat, wordt het op den duur moeilijk om die verbinding met anderen ook echt te ervaren. Want hoe goed kun je contact hebben met iemand anders wanneer je nauwelijks nog voelt wat er in jezelf omgaat? Hoe vrij is je keuze om iemand te helpen wanneer je eigenlijk niet durft te weigeren? En hoe oprecht is je instemming wanneer je diep vanbinnen iets anders wilt, maar jezelf hebt aangeleerd dat je daar beter niet naar luistert?
Misschien begint er iets te veranderen wanneer je niet langer probeert om een mens te worden die nooit boos, lastig of ongeduldig is. Wanneer je ook die kanten van jezelf een beetje beter leert kennen, zonder ze meteen te veroordelen. Je hoeft je boosheid niet te volgen waar ze je ook naartoe leidt. Je hoeft haar evenmin weg te duwen om een goed mens te zijn. Je mag onderzoeken wat ze je probeert duidelijk te maken en vervolgens zelf kiezen wat je ermee doet. En misschien ontdek je dan dat boosheid niet noodzakelijk iets is wat je relaties bedreigt. Soms helpt ze je juist om eerlijker aanwezig te zijn, om duidelijker te voelen wat je wilt en om verbinding te maken zonder jezelf telkens opzij te schuiven. Niet door harder te worden, maar door jezelf wat meer ruimte te geven.