Wanneer controle veiligheid moet brengen
Vertrouwen in wat zich wil ontvouwen
We denken vaak dat controle ons veiligheid brengt. Als we vooruitdenken, mogelijke risico’s inschatten en problemen proberen te voorkomen, voelen we ons beter voorbereid op wat er kan gebeuren. We hebben het gevoel dat we de situatie in handen hebben en dat we minder snel verrast zullen worden door iets waarop we niet gerekend hadden. En soms werkt dat ook. Vooruitdenken kan een grote kwaliteit zijn, zowel in ons persoonlijke leven als in ons werk. Alleen kan er ongemerkt iets verschuiven. Wat eerst een manier was om met de werkelijkheid om te gaan, wordt dan een poging om de werkelijkheid zo te organiseren dat we ons veilig kunnen voelen. We willen niet alleen voorbereid zijn op wat er komt, maar liefst ook voorkomen dat er iets gebeurt waarop we niet voorbereid zijn. En precies daar kan controle ons steeds meer in haar greep krijgen.
Wanneer vooruitdenken een manier wordt om je veilig te voelen
Ik herken die beweging heel goed in mezelf. Ik ben opgegroeid met een moeder die het moeilijk vindt om op het leven te vertrouwen en daarom graag de dingen onder controle houdt. Als je van jongs af aan meekrijgt dat je beter vooruitdenkt, risico’s vermijdt en probeert te voorkomen dat er iets misgaat, kan dat zo vanzelfsprekend worden dat je er nauwelijks nog bij stilstaat. Je doet wat nodig lijkt om de zaken goed te laten verlopen. Je denkt vooruit, houdt rekening met allerlei mogelijkheden en probeert problemen op te lossen voordat ze zich werkelijk aandienen. Pas later besef je misschien dat je niet alleen aan het organiseren bent, maar ook voortdurend op zoek bent naar de zekerheid dat het wel goed zal komen.
In mijn professionele leven bleek die aangeleerde manier van kijken zelfs een grote kwaliteit te zijn. Als Supply Chain Director was ik degene die graag alle scenario’s overzag. Ik dacht vooruit, zag mogelijke valkuilen en had vaak al een oplossing klaar voordat anderen doorhadden dat er ergens een probleem dreigde te ontstaan. Ik kon snel schakelen en werd daar ook voor gewaardeerd. Mijn baas en collega’s waren tevreden over mijn werk, en ik was dat zelf eigenlijk ook. Er was dus helemaal niets mis met mijn vermogen om vooruit te denken. Het hielp me om mijn werk goed te doen en verantwoordelijkheid te dragen. Alleen stond mijn hoofd eigenlijk nooit stil. Hoe goed je ook bent in het voorzien van mogelijke problemen, er is altijd nog een scenario waar je niet aan gedacht hebt. Er kan altijd iets gebeuren wat je niet had zien aankomen. En dus bleef mijn hoofd zoeken, denken, voorspellen en controleren. Niet omdat ik bewust voor zo’n manier van leven had gekozen, maar omdat het voor mij zo vanzelfsprekend was geworden om veiligheid te zoeken in wat ik kon overzien en beheersen.
Achteraf zie ik hoe moeilijk het is om op die manier ooit werkelijk tot rust te komen. Je kunt een heleboel voorbereiden, maar je kunt het leven niet volledig voorspellen. Er blijft altijd iets buiten je bereik, hoe zorgvuldig je ook te werk gaat. Wanneer je veiligheid afhankelijk wordt van de mate waarin je de gebeurtenissen onder controle hebt, blijft er dus altijd iets om over te waken. Je hoeft niet eens bang te zijn voor een concreet gevaar. Het kan voldoende zijn dat je hoofd voortdurend zoekt naar wat er eventueel nog mis zou kunnen gaan. Zo wordt vooruitdenken, dat je in bepaalde omstandigheden juist veel oplevert, ook iets wat je maar moeilijk kunt uitzetten.
Wanneer je lichaam niet langer meegaat
Op mijn vijftigste kreeg ik daar de rekening van gepresenteerd. Ik kreeg een burn-out en plots was er niets meer om te controleren. Mijn lichaam deed niet meer wat ik wilde en mijn hoofd werkte niet meer zoals ik gewend was. De snelheid waarmee ik jarenlang had geleefd, viel stil. Dat was verschrikkelijk, juist omdat ik zo weinig houvast had in wat er gebeurde. Ik kon niet meer verder op de manier waarop ik tot dan toe had gefunctioneerd, en ik kon mezelf ook niet met de vertrouwde oplossingen weer op de been krijgen. Wat me jarenlang had geholpen om vooruit te komen, bleek niet voldoende om me door deze periode heen te loodsen.
Achteraf denk ik soms dat het leven me toen op een heel radicale manier heeft laten ervaren wat ik zelf al die jaren zo moeilijk vond: dat ik niet alles in handen heb. Ik kon niet vooruitdenken tot ik de juiste oplossing vond, mezelf niet met wilskracht weer aan het werk zetten en mijn lichaam niet overtuigen om opnieuw mee te draaien. Ik moest stilvallen, of ik dat nu wilde of niet. En in die stilstand begon er iets anders zichtbaar te worden. Niet meteen een nieuw vertrouwen of een helder inzicht in hoe het dan wel moest, maar wel de ervaring dat mijn leven niet op dezelfde manier verder kon. Er kwam ruimte om andere vragen te stellen. Wat past eigenlijk bij mij? Hoe wil ik leven als ik niet langer voortdurend probeer te voldoen aan wat ik denk dat mogelijk of wenselijk is? En wat gebeurt er wanneer ik niet alleen luister naar wat mijn hoofd allemaal kan bedenken, maar ook naar wat mijn lichaam me vertelt?
Ik ben vandaag dankbaar dat ik die jaren in de wereld van supply chain heb doorgebracht. Ze hebben me gevormd en ik neem er nog altijd veel van mee. Ik begrijp daardoor ook goed de wereld waarin veel van mijn klanten werken: de druk, de verantwoordelijkheid, het voortdurende schakelen en de verwachting dat je vooral degene bent die het allemaal wel geregeld krijgt. Tegelijkertijd is er in mij steeds meer ruimte gekomen voor een andere kant. Ik ben een empathische vrouw, ik voel veel en ik heb het vermogen om een bedding te bieden waarin iemand kan vertragen, voelen en soms ook dingen kan neerleggen die lange tijd te zwaar waren om alleen te dragen. Dat heeft een plek gekregen in mijn werk en het voelt steeds meer alsof mijn leven en mijn werk in dezelfde richting bewegen. Niet omdat ik dat allemaal vooraf zo had uitgedacht, maar omdat ik gaandeweg ben gaan herkennen wat bij me past.
Een leven dat meer klopt
Ook de manier waarop ik mijn leven organiseer, is veranderd. Ik werk drie dagen per week met klanten en ontvang maximaal twee klanten per dag. Vroeger vond ik het lastig dat ik blijkbaar niet kon wat anderen wel konden. Ik keek naar mensen die vijf dagen per week werkten, veel afspraken op een dag hadden en maar doorgingen, en ergens in mij leefde nog het idee dat ik dat ook zou moeten kunnen. Alsof hun ritme de maatstaf was waaraan ik mijn eigen mogelijkheden moest afmeten. Vandaag vraag ik me dat veel minder af. Mijn systeem heeft een ander ritme en ik leer steeds meer om dat niet als een tekort te beschouwen, maar als informatie over hoe ik het leven kan vormgeven op een manier die bij mij past.
Sommige dagen is er veel energie en stroomt alles bijna vanzelf. Op andere momenten is er minder energie en vraagt mijn lichaam om iets anders. Dan zit ik misschien een tijdje in de zetel, ga ik met mijn hond wandelen in de natuur of werk ik wat in de tuin. Soms doe ik ogenschijnlijk helemaal niets en blijkt achteraf dat juist in die ruimte iets kon ontstaan waarvoor eerder geen plaats was. Ik probeer mijn leven niet meer voortdurend terug in een vast ritme te duwen omdat ik denk dat het zo hoort. Ik luister en beweeg van daaruit verder. Dat betekent niet dat ik altijd precies weet wat goed voor me is, of dat ik elke lichamelijke gewaarwording als een duidelijke aanwijzing kan beschouwen. Het betekent eerder dat ik mezelf meer ruimte geef om te ontdekken wat er nodig is, zonder meteen te besluiten dat ik iets moet veranderen om weer aan een bepaalde norm te voldoen.
Vertrouwen is daardoor voor mij een andere betekenis gaan krijgen. Lange tijd dacht ik dat vertrouwen betekende dat ik moest kunnen loslaten wat het leven met me deed, alsof ik maar moest aanvaarden wat er op mijn pad kwam en erop moest vertrouwen dat het uiteindelijk wel goed zou komen. Vandaag voelt dat anders. Vertrouwen betekent voor mij niet dat ik me zomaar overgeef aan alles wat gebeurt, maar dat ik steeds beter leer voelen wat bij mij past en van daaruit keuzes maak. Ik neem nog altijd beslissingen, draag verantwoordelijkheid en organiseer de dingen die georganiseerd moeten worden. Alleen probeer ik steeds minder om vooraf de hele weg vast te leggen. Ik hoef niet op ieder mogelijk probleem een antwoord te hebben voordat ik een volgende stap kan zetten.
Dat vraagt soms moed, want op die manier leven brengt ook onzekerheid met zich mee. Ik heb minder financiële zekerheid dan wanneer ik mijn vroegere leven was blijven leiden. Ik zou dat kunnen zien als bewijs dat ik het niet goed aanpak, dat ik meer zou moeten werken of dat ik mijn toekomst beter zou moeten vastleggen. Maar er is ook iets anders gekomen: tijd, ruimte en adem. En het gevoel dat mijn leven steeds meer in overeenstemming is met wie ik ben. Dat maakt de onzekerheid niet ongedaan, maar het verandert wel de manier waarop ik me ertoe verhoud. Ik hoef niet langer elke onzekerheid op te lossen voordat ik mezelf toestemming kan geven om te leven zoals het voor mij klopt.
Meebewegen met wat zich aandient
Misschien lijkt vertrouwen van buitenaf soms op niets doen. Alsof je de teugels uit handen geeft en maar moet hopen dat het leven je ergens brengt waar je wilt zijn. Zo voelt het voor mij vandaag helemaal niet. Ik denk eerder aan de zee en aan de golven die komen en gaan. Ik hoef ze niet zelf te maken en ik hoef ze ook niet tegen te houden. Ik kan leren voelen wanneer er beweging is en meegaan wanneer het stroomt. En wanneer de zee stiller wordt, hoef ik niet uit angst alsnog zelf golven te gaan maken. Er mag ook een periode zijn waarin er minder gebeurt, waarin ik niet precies weet wat de volgende stap zal zijn en waarin iets zich nog aan het vormen is.
Dat is misschien wel het verschil tussen vertrouwen en passiviteit. Passiviteit zou betekenen dat ik mijn eigen aandeel niet meer opneem en alles maar laat gebeuren. Vertrouwen betekent voor mij juist dat ik betrokken blijf bij mijn leven, maar niet langer probeer om iedere uitkomst vooraf te bepalen. Ik mag handelen wanneer er iets te doen is en wachten wanneer er nog niets duidelijk is. Ik mag plannen maken zonder me eraan vast te klampen, en ik mag onderweg ontdekken dat een andere richting beter bij me past. Wat ik vooraf bedacht heb, hoeft niet altijd te verdwijnen, maar het hoeft me ook niet gevangen te houden wanneer het leven iets anders laat zien.
Misschien herken je iets van die beweging in je eigen leven. Misschien merk je dat je op bepaalde plekken voortdurend vooruitdenkt, oplossingen zoekt of probeert te voorkomen dat er iets misgaat. Dat kan in je werk zijn, in relaties of in de manier waarop je je dagen organiseert. Misschien heeft die controle je veel gebracht en is ze lange tijd een belangrijke kwaliteit geweest. Dan hoeft het ook niet de bedoeling te zijn om haar zomaar overboord te gooien. Je kunt erkennen wat ze voor je heeft betekend en tegelijk nieuwsgierig worden naar wat er gebeurt wanneer je haar niet overal meer nodig hebt. Want soms is de vraag niet hoe je nog beter kunt leren omgaan met alles wat er op je afkomt, maar of je jezelf wat meer ruimte kunt geven om niet alles vooraf te hoeven weten.
Voor mij ligt daar de diepere laag van vertrouwen. Niet in de zekerheid dat alles zal gaan zoals ik het bedacht heb, maar in het vertrouwen dat ik mezelf steeds beter leer kennen. Dat ik mag luisteren wanneer mijn lichaam iets anders vraagt, dat ik onderweg kan bijsturen en dat ik niet voortdurend buiten mezelf hoef te zoeken naar bevestiging dat ik op de goede weg zit. Het leven hoeft niet langer precies te worden zoals ik het had gepland. Het mag zich ontvouwen en ik mag meebewegen.
Misschien hoeven we niet allemaal op dezelfde manier te leren vertrouwen. Voor de een betekent het misschien dat er wat meer structuur mag komen, terwijl de ander juist wat ruimte nodig heeft om niet alles vast te leggen. Het gaat er niet om dat controle verkeerd is en loslaten goed. Het gaat erom te ontdekken wanneer iets ons werkelijk helpt en wanneer we het zijn gaan gebruiken om een onzekerheid weg te houden die nu eenmaal bij het leven hoort.
Misschien begint vertrouwen niet op het moment dat we alle controle loslaten, maar wanneer we voorzichtig ontdekken dat we ook zonder volledige controle verder kunnen. Niet omdat we zeker weten waar de weg naartoe leidt, maar omdat we gaandeweg beter leren voelen wie we zijn terwijl we hem bewandelen.