Wanneer het lichaam mag voelen
Wanneer woorden in de weg zitten
Vorige week zat ik samen met een klant die het voelen als iets kwetsbaars en ongrijpbaars ervaart. Ze kan er even bij komen, een glimp opvangen van wat er vanbinnen leeft, maar zodra ze probeert te verwoorden wat ze voelt, glipt het weer weg. Haar denken neemt het over, alsof het haar wil helpen om niet kwijt te raken wat ze net even heeft aangeraakt. En voor ze het weet, zijn we opnieuw aan het praten over wat er gebeurt, terwijl het voelen zelf ergens naar de achtergrond verdwenen is.
Ik vind dat een boeiend moment, omdat het zo duidelijk maakt hoe moeilijk het soms kan zijn om bij een ervaring te blijven zonder er meteen iets mee te doen. We zijn gewend om woorden te zoeken, verbanden te leggen en te begrijpen wat iets betekent. Dat helpt ons om de wereld overzichtelijk te maken. Wanneer we ergens mee zitten, gaan we nadenken over de oorzaak, over wat we anders zouden kunnen doen en over hoe we ervoor kunnen zorgen dat het beter gaat. Dat is een heel menselijke beweging, en ik zou de waarde van ons denkvermogen zeker niet willen onderschatten. Maar soms komt dat denken zo snel tussenbeide dat we nauwelijks de kans krijgen om te ontdekken wat er eigenlijk gebeurt wanneer we even niet proberen te begrijpen.
Misschien herken je dat wel. Iemand vraagt hoe het met je gaat en voor je het weet, vertel je wat er de afgelopen dagen allemaal gebeurd is. Je legt uit waarom je moe bent, waarom je je ergens aan geërgerd hebt of waarom je het moeilijk hebt met een bepaalde situatie. Je verhaal klopt misschien helemaal, en toch is er een verschil tussen vertellen wat er met je aan de hand is en daadwerkelijk voelen wat dat met je doet. Je kunt perfect uitleggen waarom iets je verdrietig maakt zonder op dat moment werkelijk bij je verdriet te komen. En soms merk je pas hoe gespannen je bent wanneer iemand je vraagt om even stil te staan en te voelen wat er nu, op dit ogenblik, in je lichaam gebeurt.
Dat laatste blijkt niet voor iedereen vanzelfsprekend te zijn. Voor sommigen is het lichaam een vertrouwde plek waar ze gemakkelijk contact mee maken. Voor anderen is het eerder een terrein waar ze niet zo goed de weg kennen, of waar ze liever niet te lang blijven rondkijken. Misschien hebben ze geleerd om vooral op hun verstand te vertrouwen, misschien zijn ze zo gewend geraakt aan het doorgaan dat stilstaan vreemd aanvoelt. En misschien is het voelen ooit zo overweldigend geweest dat het veel prettiger was om er wat afstand van te houden.
Ik vind het belangrijk om daar niet te snel een probleem van te maken. Want als denken je lange tijd geholpen heeft om je staande te houden, waarom zou je die manier van omgaan met het leven dan zomaar loslaten? Wat wij soms een beschermingsmechanisme noemen, kan evengoed een bijzonder slimme manier zijn geweest om met omstandigheden om te gaan waarvoor je toen nog niet de mogelijkheden had om er anders mee om te gaan. Het denken heeft je misschien geholpen om overzicht te houden, om door te gaan en om niet overspoeld te raken door wat je voelde. Daar hoeft niets mis mee te zijn. Alleen kan er later een moment komen waarop je merkt dat je graag wat meer toegang zou krijgen tot dat andere deel van jezelf, dat niet in de eerste plaats met woorden werkt.
Niet alles hoeft meteen open
In mijn werk merk ik hoe belangrijk het is om niet alleen aandacht te hebben voor wat iemand voelt, maar ook voor de ruimte die er op dat moment is om dat gevoel toe te laten. We zouden kunnen denken dat iemand die moeilijk bij zijn gevoelens komt vooral meer tijd nodig heeft om te voelen, of wat extra aanmoediging om zich open te stellen. Maar soms is het net andersom. Soms ontstaat er meer ruimte wanneer iemand niet méér hoeft te doen, niet verder hoeft te zoeken en zich zelfs even helemaal mag terugtrekken.
Ik moest bij mijn klant denken aan een schelp. Een schelp die zich sluit wanneer dat nodig is en pas weer opengaat wanneer de omstandigheden daarvoor geschikt zijn. We verwachten van een schelp toch ook niet dat ze zich op ons verzoek opent? We kunnen ernaar kijken, wachten en de omstandigheden rustig laten zijn wat ze zijn. Misschien gaat ze vanzelf weer open, misschien duurt het langer dan we hadden gedacht. Het heeft weinig zin om eraan te trekken, want daarmee bereiken we waarschijnlijk vooral het tegenovergestelde van wat we willen.
Bij mensen ligt dat natuurlijk wat ingewikkelder, maar de vergelijking helpt me om te blijven kijken naar wat er op dat moment mogelijk is. Wanneer iemand zich terugtrekt, hoeft dat niet te betekenen dat er niets gebeurt of dat de begeleiding vastloopt. Misschien is het precies wat er nodig is om niet nog verder over de eigen grenzen te gaan. En als we dat kunnen laten bestaan zonder er onmiddellijk iets aan te willen veranderen, ontstaat er soms een heel andere ruimte. Een ruimte waarin iemand niet hoeft te presteren, ook niet in het voelen.
Dat vraagt van mij als begeleider dat ik mijn eigen verwachtingen in de gaten houd. Ik kan een oefening klaar hebben, een bepaalde richting in gedachten hebben of vermoeden waar iemand naartoe zou kunnen bewegen. Maar dat betekent niet dat die beweging op dat moment ook de juiste is. Wat voor de ene persoon een fijne uitnodiging is om wat meer contact te maken met het lichaam, kan voor iemand anders net te veel zijn. En wat vandaag lukt, hoeft morgen niet opnieuw te lukken. Het lichaam houdt zich nu eenmaal niet altijd aan het tempo dat wij met ons hoofd hebben bedacht.
Daarom begint lichaamsgericht werken voor mij niet bij een techniek die ik zo goed mogelijk probeer toe te passen. Het begint bij de mens die voor me zit, bij wat ik opmerk en bij de vraag hoeveel ruimte er op dit moment werkelijk is. Soms kunnen we wat langer stilstaan bij een lichamelijke gewaarwording. Soms is een heel korte aanraking met wat er vanbinnen leeft al voldoende. En soms blijkt het beter om helemaal niet dieper te gaan, maar eerst wat meer afstand te laten ontstaan.
Dat klinkt misschien alsof we weinig doen, maar ik denk dat daar juist een belangrijk deel van het werk zit. Niet alles wat mogelijk is, hoeft ook meteen te gebeuren. En niet iedere beweging vooruit hoeft zichtbaar te zijn.
Eerst maar eens voelen wat er al is
Wanneer ik iemand uitnodig om via een bodyscan contact te maken met het lichaam, gaat het er dan ook niet om dat die persoon zo veel mogelijk moet voelen of dat we alle delen van het lichaam zorgvuldig moeten afwerken. Het is geen opdracht waarbij je op het einde kunt zeggen dat je overal geweest bent en dat de oefening dus geslaagd is. We zijn zo gewend om ergens naartoe te werken dat we zelfs van voelen nog een prestatie kunnen maken. Je moet ontspannen, je moet contact maken met je lichaam en liefst ontdek je onderweg ook nog iets waardevols over jezelf.
Maar wat als dat allemaal even niet hoeft?
Misschien voel je je ademhaling. Misschien merk je dat je voeten contact maken met de grond. Misschien is er ergens spanning, terwijl je op een andere plek nauwelijks iets gewaarwordt. En misschien voel je helemaal niets bijzonders. Ook dat hoeft niet meteen iets te betekenen. Het lichaam hoeft zich niet op commando kenbaar te maken, en we hoeven niet overal een verklaring voor te vinden.
Ik vind het vaak helpend om te beginnen bij wat wél voelbaar is. Als iemand bijvoorbeeld merkt dat het contact van de voeten met de grond prettig aanvoelt, kunnen we daar even bij blijven. We hoeven niet onmiddellijk naar die plek te gaan waar het moeilijk wordt, alleen omdat we denken dat daar het belangrijkste werk te doen is. Het is ook mogelijk om eerst wat meer vertrouwd te raken met het ervaren zelf, met het eenvoudige gegeven dat je iets kunt opmerken zonder er iets mee te moeten doen.
Van daaruit kan er misschien wat meer nieuwsgierigheid ontstaan. Niet de nieuwsgierigheid van het hoofd dat wil weten waarom iets zo is, maar de bereidheid om te ontdekken wat er gebeurt wanneer je er even bij blijft. Verandert er iets? Blijft het hetzelfde? Wordt het duidelijker, of verdwijnt het weer naar de achtergrond? Je hoeft het niet te weten voordat je begint. Je mag het onderweg ontdekken.
Dat is ook waarom ik zelden met één standaardopname voor een bodyscan werk. Ik stem de oefening af op de persoon die voor me zit en op wat er op dat moment mogelijk is. Soms vraagt dat om een korte, eenvoudige verkenning. Soms is er ruimte voor een langere reis door het lichaam. En soms zit de belangrijkste beweging niet in wat we toevoegen, maar in wat we achterwege laten.
Ik vind het mooi dat lichaamswerk op die manier niet alleen gaat over het leren voelen, maar ook over het leren respecteren van wat zich aandient. Je hoeft niet verder te gaan dan waar je op dit moment kunt komen. Je hoeft ook niet te bewijzen dat je ergens bij kunt. Misschien is het al voldoende om te merken dat je iets liever niet voelt, en om daar niet meteen overheen te stappen.
Het gewone leven als ingang
En eigenlijk hoeft dat verkennen niet beperkt te blijven tot een sessie of een moment waarop je bewust met lichaamswerk bezig bent. We lopen de hele dag met ons lichaam rond, al leven we soms alsof het vooral bedoeld is om ons hoofd van de ene activiteit naar de andere te vervoeren. We denken, plannen, praten, werken en regelen, en ondertussen brengt datzelfde lichaam ons voortdurend in contact met de wereld. Alleen staan we daar niet altijd bij stil.
Neem nu het moment waarop je na een douche of bad je afdroogt. Dat is doorgaans niet bepaald een activiteit waarbij je uitgebreid stilstaat bij je lichaam. Je neemt de handdoek, droogt je af en gaat verder met wat er nog op je programma staat. Maar wat gebeurt er wanneer je dat moment een beetje vertraagt? Wanneer je niet alleen de handeling uitvoert, maar ook opmerkt hoe de handdoek je huid raakt, hoe de druk van je hand verandert of hoe het contact op de ene plek anders aanvoelt dan op de andere?
Je hoeft daar geen speciale oefening van te maken. Je hoeft niet met gesloten ogen door je lichaam te reizen of achteraf te noteren wat je allemaal ervaren hebt. Je kunt gewoon even nieuwsgierig zijn naar iets wat je anders nauwelijks opmerkt. Misschien voelt het aangenaam, misschien doet het je weinig en misschien merk je dat je gedachten alweer ergens anders zitten. Dat is allemaal prima. Je hoeft jezelf niet terug te fluiten alsof je iets verkeerd doet. Je kunt gewoon opnieuw opmerken wat er gebeurt.
Hetzelfde kan wanneer je handen op je huid rusten, wanneer je rug de leuning van een stoel raakt of wanneer je buiten wandelt en de wind langs je gezicht voelt gaan. We hoeven niet voortdurend bewust met ons lichaam bezig te zijn. Dat zou behoorlijk vermoeiend worden. Maar er mogen wel momenten zijn waarop we niet alleen dóór het leven bewegen, maar ook even ervaren dat we erin aanwezig zijn.
Misschien ontdek je dat je op bepaalde momenten gemakkelijk contact maakt met je lichaam en op andere momenten nauwelijks. Ook dat kan veranderen naargelang je dag, je stemming of de omstandigheden waarin je je bevindt. Het is geen wedstrijd en er is geen eindpunt waarop je kunt zeggen dat je nu definitief hebt leren voelen. Gelukkig maar, want anders zou er weer iets zijn dat we goed moeten doen.
Wat me hierin blijft boeien, is hoe weinig er soms nodig is om iets anders te ervaren. Niet noodzakelijk een groot inzicht of een bijzondere gebeurtenis, maar een klein moment waarin je aandacht even verschuift. Van het bedenken naar het waarnemen. Van het zoeken naar een antwoord naar het toelaten van een ervaring die nog geen woorden heeft.
En misschien is dat wel voldoende voor nu. Je hoeft niet te weten wat het betekent, waar het vandaan komt of wat je ermee moet doen. Je mag gewoon even merken dat je lichaam er is, dat het contact maakt met de wereld en dat jij daar, heel even, aandacht aan geeft.
Niet om iets te bereiken.
Maar om te ervaren hoe het is wanneer je niet alles hoeft te begrijpen voordat je iets mag voelen.