Woorden die uitnodigen om te voelen

Niet alleen wat je zegt, maar hoe je het zegt

In lichaamsgericht traumawerk merk ik steeds opnieuw hoe belangrijk het is om niet alleen aandacht te hebben voor wat we doen, maar ook voor de manier waarop we iemand uitnodigen om iets te ervaren. Je kunt als begeleider een heel mooie oefening in gedachten hebben, zorgvuldig opgebouwd en helemaal afgestemd op wat je met iemand wilt onderzoeken, en toch kan het gebeuren dat je met je woorden precies het tegenovergestelde teweegbrengt van wat je bedoelde. Je wilt iemand uitnodigen om wat meer contact te maken met het lichaam, maar voor je het weet, is die alweer volop aan het nadenken over wat er allemaal zou moeten gebeuren.

Dat vind ik een boeiend gegeven. Want woorden zijn natuurlijk ons vertrouwde gereedschap. We gebruiken ze om uit te leggen, te verduidelijken, vragen te stellen en te begrijpen wat er bij iemand leeft. Wanneer iemand vertelt over een moeilijke ervaring, zijn we vaak geneigd om daarop in te gaan met nog meer vragen. Wat voelde je toen? Wat gebeurde er precies? Wat denk je dat daarachter zit? Allemaal heel begrijpelijke vragen, die soms ook bijzonder waardevol zijn. Maar wanneer we iemand juist willen uitnodigen om even uit het denken te komen en te ervaren wat er in het lichaam gebeurt, kunnen diezelfde vragen ervoor zorgen dat iemand nog wat steviger in het hoofd blijft zitten.

Ik moet dan weleens denken aan het verschil tussen praten over zwemmen en daadwerkelijk in het water stappen. Je kunt iemand van alles vertellen over de temperatuur van het water, over hoe je je armen beweegt en over de manier waarop je blijft drijven. Je kunt er zelfs een bijzonder interessante uitleg over geven. Maar op een bepaald moment is er een andere ervaring nodig, een moment waarop je niet langer alleen probeert te begrijpen wat zwemmen is, maar zelf voelt wat het water met je lichaam doet. En zelfs dan maakt het nogal wat uit hoe je in dat water terechtkomt. Of je rustig kunt wennen, of iemand je vasthoudt, of je meteen het gevoel krijgt dat je moet kunnen zwemmen.

Zo is het voor mij ook met lichaamsgericht werken. We kunnen iemand vertellen dat het belangrijk is om te voelen, maar daarmee weten we nog niet of die persoon daar op dat moment ook toegang toe heeft. En we kunnen iemand uitnodigen om de aandacht naar het lichaam te brengen, maar de manier waarop we dat doen, bepaalt mee welke ruimte er ontstaat om die ervaring aan te gaan.

Een vraag kan je weer aan het denken zetten

Stel dat je iemand vraagt: ‘Wat voel je nu?’ Het lijkt een eenvoudige vraag, en vaak is dat ook zo. Maar voor iemand die sterk vanuit het hoofd leeft, kan die vraag meteen een hele reeks gedachten op gang brengen. Wat voel ik precies? Is dit wel een gevoel? Hoe moet ik dat benoemen? Is het verdriet, angst, boosheid of misschien iets anders? En wat als ik het niet weet?

Voor je het weet, is iemand bezig om het juiste antwoord te vinden. Alsof voelen een soort toets is waarvoor je moet slagen en waarbij je liefst ook nog kunt uitleggen waarom je precies dat antwoord geeft. Terwijl jij misschien gewoon wilde uitnodigen om even stil te staan bij wat er vanbinnen gebeurt.

Het kan dan helpen om de vraag wat te verschuiven. In plaats van te vragen wat iemand voelt, kun je bijvoorbeeld uitnodigen om eens op te merken wat er in het lichaam gebeurt wanneer die even bij een bepaalde gedachte of ervaring stilstaat. Je vraagt niet langer om een antwoord, maar maakt ruimte voor een waarneming. Iemand hoeft nog niet te weten wat die gewaarwording betekent, laat staan dat er meteen een naam op geplakt moet worden.

Dat lijkt misschien een klein verschil, maar het verandert de opdracht die iemand ervaart. Er hoeft niets opgelost of verklaard te worden. Je mag gewoon even opmerken wat er al is.

Ook de woorden waarmee we iemand uitnodigen om de aandacht naar het lichaam te brengen, verdienen wat mij betreft aandacht. Soms zeg ik bijvoorbeeld dat iemand de aandacht zachtjes mag laten zakken en eens mag kijken wat er dan opvalt. Het woord zachtjes is daarin niet zomaar versiering. Het geeft iets aan over de manier waarop iemand de uitnodiging mag benaderen. Je hoeft niet met je aandacht het lichaam binnen te stormen, op zoek naar wat daar allemaal te ontdekken valt. Je mag voorzichtig kijken wat er gebeurt wanneer je wat minder met je gedachten bezig bent.

En misschien gebeurt er helemaal niets bijzonders. Ook dat is een ervaring, al zijn we niet altijd geneigd om dat zo te bekijken. We willen graag dat een oefening iets oplevert, dat er iets voelbaar wordt of dat iemand een stap vooruitzet. Maar wanneer we van voelen opnieuw een opdracht maken, creëren we gemakkelijk precies die druk waarvan we iemand wilden bevrijden.

We hebben alle tijd binnen de tijd

Een van de dingen die ik belangrijk vind in mijn werk, is dat iemand niet het gevoel hoeft te krijgen dat er iets moet gebeuren omdat we nu eenmaal in een sessie zitten. Er is een bepaalde tijd voorzien, dat klopt. Maar binnen die tijd hoeven we niet voortdurend vooruit te gaan. We hoeven niet elke stilte op te vullen of elke gewaarwording verder te onderzoeken. Soms is het voldoende om even bij iets te blijven wat zich aandient, zonder dat we al weten waar het naartoe zal gaan.

We hebben alle tijd binnen de tijd.

Ik hou van die gedachte, omdat ze iets opent wat we in ons gewone leven nogal gemakkelijk uit het oog verliezen. We zijn gewend om tijd in te delen, doelen te stellen en te bekijken hoeveel we binnen een bepaalde periode kunnen bereiken. Dat is handig wanneer je een trein moet halen of een afspraak hebt, maar het is niet altijd de beste manier om met voelen om te gaan. Ons hoofd kan in enkele seconden een heel verhaal opbouwen, terwijl het lichaam soms veel meer tijd nodig heeft om ergens bij te komen. En zelfs dan is er geen garantie dat het zich laat kennen op de manier die we hadden verwacht.

Voor iemand die gewend is om snel te denken en te handelen, kan het vreemd zijn om niet meteen te hoeven reageren. Je vraagt bijvoorbeeld om even de aandacht bij de ademhaling te brengen. Maar ook daar zit een verschil tussen zeggen dat iemand diep moet ademhalen en uitnodigen om de adem gewoon te laten zijn zoals die op dat moment is. In het eerste geval krijgt iemand iets te doen. Misschien probeert die de ademhaling te veranderen, om het goed te doen of om sneller tot rust te komen. In het tweede geval hoeft er niets aangepast te worden. Je kunt gewoon opmerken hoe je ademt, zonder dat je ademhaling aan een bepaalde verwachting moet voldoen.

Dat is voor mij een belangrijk onderscheid. We hoeven iemand niet naar een bepaalde toestand te begeleiden om de oefening geslaagd te laten zijn. Ontspanning kan ontstaan, maar dat hoeft niet het doel te zijn. Soms merkt iemand juist meer spanning op wanneer de aandacht naar het lichaam gaat. Ook dat vraagt geen automatische correctie. Het vraagt vooral dat we blijven kijken naar wat er gebeurt en of er voldoende ruimte is om daarbij te blijven.

Daarom vind ik het ook zo belangrijk om niet alleen te luisteren naar de woorden van een cliënt, maar aandacht te hebben voor het tempo waarin die beweegt, voor wat er verandert wanneer we iets vragen en voor de momenten waarop het contact met het lichaam weer naar de achtergrond verdwijnt. We hoeven niet alles te benoemen. Soms is een korte uitnodiging voldoende, waarna we de ruimte laten om te ervaren wat die teweegbrengt.

De kunst van het niet invullen

Er zit nog iets anders in de woorden die we gebruiken. We kunnen met een vraag niet alleen iemand uitnodigen om te voelen, maar ook onbedoeld al aangeven wat die zou moeten voelen.

Wanneer ik bijvoorbeeld vraag waar iemand spanning voelt, ga ik er eigenlijk al van uit dat er spanning is. Misschien is die er, maar misschien ook niet. En als iemand moeite heeft om iets te ervaren, kan die vraag ervoor zorgen dat die op zoek gaat naar spanning omdat dat blijkbaar is wat er verwacht wordt.

Ik probeer daarom zo veel mogelijk ruimte te laten voor wat iemand zelf opmerkt. Je kunt bijvoorbeeld vragen of iemand eens wil kijken waar de aandacht vanzelf naartoe gaat in het lichaam. Misschien valt er iets op in de borst, misschien in de buik, misschien bij de voeten. Misschien gaat de aandacht voortdurend ergens anders naartoe. Ook dat kan interessant zijn, zonder dat we er meteen een verklaring aan hoeven te verbinden.

Want zodra we zelf gaan invullen wat er aan de hand is, bestaat het risico dat iemand zich gaat richten naar onze verwachting. Dat gebeurt niet noodzakelijk bewust. We zijn nu eenmaal gevoelig voor wat anderen van ons lijken te verwachten, zeker wanneer we gewend zijn om het goed te willen doen. Als begeleider heb je dus niet alleen invloed door de oefeningen die je aanbiedt, maar ook door de kleine aanwijzingen die je onderweg geeft.

Dat vraagt een zekere terughoudendheid. Niet omdat we zo weinig mogelijk zouden moeten zeggen, maar omdat het soms waardevol is om ons af te vragen of onze woorden werkelijk ruimte openen of toch vooral een richting opleggen.

Ik denk daarbij ook aan de uitnodiging om het lichaam te laten bewegen. Wanneer iemand een impuls tot bewegen ervaart, kan het helpend zijn om daar nieuwsgierig naar te worden. Maar ook dan hoeft de begeleider niet te bepalen welke beweging er moet komen of hoe ver iemand daarin moet meegaan. Er is een verschil tussen toestemming geven om een beweging te onderzoeken en iemand aanmoedigen om zich er volledig aan over te geven. Voor de ene persoon voelt dat laatste bevrijdend, voor de andere kan het juist te veel zijn.

En misschien is dat wel een van de redenen waarom ik het werken met mensen zo boeiend blijf vinden. Je kunt veel weten over trauma, over het lichaam en over de manieren waarop mensen zich beschermen, maar uiteindelijk zit er een mens voor je die niet samenvalt met wat je weet. Je moet blijven kijken, blijven luisteren en bereid zijn om je eigen ideeën onderweg bij te stellen. Geen enkele zin werkt altijd, en geen enkele techniek vertelt je vooraf precies wat er bij iemand zal gebeuren.

Woorden als een uitnodiging, geen opdracht

Soms vragen mensen me welke woorden ze het best gebruiken wanneer ze iemand willen begeleiden naar meer lichaamsbewustzijn. Ik begrijp die vraag, want het is prettig om een paar zinnen achter de hand te hebben wanneer je nog zoekende bent naar de juiste manier om iets te verwoorden. Toch denk ik dat het uiteindelijk minder gaat om het onthouden van een lijstje dan om de houding van waaruit je die woorden gebruikt.

Een zin als ‘Je hoeft niet te weten wat je voelt, je mag gewoon eens opmerken wat er is’ kan iemand helpen om wat minder hard te zoeken naar een antwoord. Maar als je die zin uitspreekt terwijl je ondertussen verwacht dat er toch iets bijzonders zal gebeuren, kan die uitnodiging alsnog als een opdracht aanvoelen. De woorden zijn dan misschien zacht, maar de verwachting erachter is dat niet noodzakelijk.

Omgekeerd kan een heel eenvoudige vraag veel ruimte geven wanneer ze werkelijk open is. ‘Wat merk je op als je hier even bij blijft?’ Je hoeft niet te weten wat iemand zal antwoorden. Je hoeft zelfs niet te weten of er een antwoord komt. Je geeft iemand de gelegenheid om zelf te ontdekken wat er gebeurt, en je blijft beschikbaar voor wat zich aandient.

Daar zit voor mij de kern van het werk. Niet in het vinden van de perfecte zin die het lichaam als vanzelf laat spreken, maar in het ontwikkelen van een manier van aanwezig zijn waarin iemand niet voortdurend het gevoel heeft iets te moeten bereiken. Je woorden kunnen daarin een brug vormen, maar je hoeft die brug niet helemaal voor iemand uit te bouwen. Soms is het voldoende om een eerste plank neer te leggen en te kijken of de ander erop wil stappen.

En misschien begint dat oefenen niet eens in je praktijk, maar gewoon in je eigen leven. Je merkt dat je gespannen bent en vraagt jezelf niet meteen waarom. Je voelt je voeten op de grond terwijl je naar iemand luistert. Of je staat na het douchen even stil bij het contact van de handdoek met je huid, zonder van die paar seconden een oefening te maken die je goed moet uitvoeren.

Je kunt eens opmerken welke woorden je tegen jezelf gebruikt wanneer je iets voelt wat je niet meteen begrijpt. Ga je op zoek naar een verklaring? Probeer je het gevoel weg te redeneren? Of kun je jezelf ook eens uitnodigen om er even bij te blijven, zonder dat je al weet wat het betekent?

Misschien merk je dat je daarin niet altijd dezelfde ruimte hebt. De ene dag gaat het vanzelf, de andere dag ben je alweer volop aan het denken voordat je het goed en wel beseft. Dat hoeft niet anders. Het is geen nieuwe vaardigheid die je zo snel mogelijk onder de knie moet krijgen.

Want uiteindelijk gaat het er niet om dat we het hoofd uitschakelen om het lichaam aan het woord te laten. Ons denken hoort net zo goed bij ons als ons voelen. Het gaat er eerder om dat we niet altijd onmiddellijk hoeven te kiezen voor begrijpen, verklaren of oplossen. Dat er ook momenten mogen zijn waarop we iets ervaren zonder het meteen in woorden te vangen.

En misschien is dat wel de mooiste uitnodiging die we iemand kunnen geven: niet om iets te voelen wat er nog niet is, maar om wat meer ruimte te maken voor wat zich op zijn eigen manier wil laten ervaren.

Vorige
Vorige

Wat als je cliënt in haar veilige hoofd kruipt?

Volgende
Volgende

Wanneer het lichaam mag voelen