Wat als je cliënt in haar veilige hoofd kruipt?

Wanneer er plots iets verandert

Ik krijg weleens de vraag hoe ik het aanpak wanneer een cliënt telkens opnieuw in haar hoofd lijkt te schieten. We zijn ergens mee bezig, er komt iets dichterbij en heel even lijkt er iets te bewegen. Je ziet het misschien in de ogen, in een kleine verandering van de gezichtsuitdrukking of in de manier waarop iemand plots stilvalt. En nog voor je goed en wel kunt volgen wat er gebeurt, is het alweer verdwenen. De cliënt begint uit te leggen, te redeneren, verbanden te leggen of te vertellen waarom het eigenlijk allemaal wel meevalt. Alsof er niets bijzonders aan de hand is.

Ik heb op dit moment een cliënt bij wie dat heel herkenbaar gebeurt. Telkens wanneer we dichter bij iets komen wat haar raakt, verschijnt er heel even emotie in haar ogen. Het is soms maar een fractie van een seconde. En dan lijkt er iets dicht te klappen, alsof er een deur sluit waar we net nog een kiertje door konden kijken. Ze begint te praten, probeert te begrijpen wat er gebeurt en overtuigt zichzelf er bijna van dat er niets is om bij stil te staan.

Als begeleider kun je op zo’n moment verschillende dingen denken. Misschien is ze bang voor wat ze zal voelen. Misschien heeft ze meer tijd nodig. Misschien is de stap die we proberen te zetten op dit moment te groot. En natuurlijk kun je proberen om haar te helpen begrijpen wat er gebeurt, of haar voorzichtig uitnodigen om toch nog even bij die emotie te blijven. Maar ik merk dat ik steeds nieuwsgieriger ben geworden naar wat er eigenlijk gebeurt wanneer iemand zich op zo’n moment terugtrekt.

Want wat als dat terugtrekken niet zomaar een hindernis is die we moeten overwinnen? Wat als er iets in die persoon heel goed weet dat het voorlopig beter is om niet verder te gaan?

We zijn gewend om verandering te zien als een beweging naar iets toe. We willen dichter bij onze gevoelens komen, begrijpen wat ons tegenhoudt en ontdekken wat er onder onze patronen verscholen zit. Zeker wanneer je als therapeut met lichaamsgericht werk bezig bent, kan het verleidelijk zijn om dat moment waarop iemand iets begint te voelen te beschouwen als een kans die je niet wilt laten voorbijgaan. Er gebeurt eindelijk iets, en je wilt daar graag bij blijven.

Maar misschien is het juist op dat moment belangrijk om niet te snel te beslissen wat er moet gebeuren.

Het hoofd is er niet zomaar

Ik vind het interessant dat we het hoofd soms bijna als een tegenstander van het voelen beschouwen. Alsof iemand die veel nadenkt, analyseert of verklaart daarmee de toegang tot zichzelf blokkeert en dus geholpen moet worden om daar weer uit te komen. Maar denken is natuurlijk ook gewoon iets wat we doen. Het kan ons helpen om overzicht te houden, om ervaringen te begrijpen en om afstand te nemen wanneer iets te dichtbij komt.

Misschien is dat precies wat er bij mijn cliënt gebeurt. Zodra er iets geraakt wordt wat moeilijk te verdragen is, neemt haar denken het weer over. Ze begint te verklaren waarom ze zich niet zo hoeft te voelen, zoekt naar logische verbanden en probeert de situatie opnieuw overzichtelijk te maken. Vanuit de buitenkant lijkt het alsof ze weggaat bij wat er werkelijk speelt. Maar ik weet niet of ik dat zomaar als een stap achteruit wil bekijken.

Misschien is dat hoofd wel de plek waar ze zich op dit moment nog het veiligst voelt. Daar kan ze begrijpen, ordenen en bepalen hoe ze iets benadert. Ze kent de weg in haar gedachten. Ze kan er woorden aan geven en zichzelf overtuigen dat ze alles onder controle heeft. Wanneer we dichter bij een ervaring komen die zich niet zo gemakkelijk laat begrijpen of beheersen, kan dat vertrouwde houvast plots heel belangrijk worden.

En dan vraag ik me af wat er gebeurt wanneer we proberen om haar daar zo snel mogelijk weer uit te halen. Als ik haar vertel dat ze aan het rationaliseren is, of dat ze opnieuw weggaat bij haar gevoel, kan ze misschien begrijpen wat ik bedoel. Maar daarmee is er nog niets veranderd aan wat ze op dat moment ervaart. Integendeel, ze kan zich ook nog eens bekeken of betrapt voelen, alsof ze iets verkeerd doet terwijl ze juist haar best probeert te doen.

Toen ik bij deze cliënt voorzichtig benoemde wat ik zag gebeuren, raakte ze uit balans. Ze werd duizelig en kreeg buikpijn. Dat was voor mij een belangrijk signaal om niet verder te gaan met uitleggen of proberen te begrijpen, maar om mijn aandacht volledig naar haar lichamelijke ervaring te verplaatsen.

Niet omdat het lichaam altijd een antwoord heeft dat we alleen maar hoeven te ontcijferen, maar omdat er op dat moment iets gebeurde wat we niet langer uitsluitend met woorden konden benaderen.

Misschien moet er eerst iets anders gebeuren

We zijn samen bij de duizeligheid en de buikpijn gebleven. Niet om die sensaties zo snel mogelijk te laten verdwijnen, maar om te onderzoeken wat er gebeurde wanneer we er aandacht aan gaven. Wat merkte ze op? Waar ging haar aandacht naartoe? Wat leek er nodig te zijn? En wat gebeurde er wanneer we niet onmiddellijk probeerden om de ervaring te veranderen?

Gaandeweg werd duidelijk dat er een diep verlangen was om naar binnen te gaan, om zich even terug te trekken en te mogen verdwijnen. Dat vond ik bijzonder, omdat het een heel andere ingang bood dan de gedachte dat ze vooral moest leren om beter bij haar gevoelens te blijven. Misschien was er helemaal niet in de eerste plaats behoefte aan méér contact. Misschien was er eerst behoefte aan de vrijheid om even géén contact te hoeven maken.

We hebben dat deel van haar de ruimte gegeven om zich terug te trekken. We hebben vertraagd en gezocht naar wat haar lichaam nodig had om zich wat veiliger te voelen. Dat proces nam bijna een half uur in beslag. Een half uur waarin we niet probeerden om zo snel mogelijk terug te keren naar het onderwerp waarmee we begonnen waren, maar waarin we aandacht gaven aan de omstandigheden die nodig waren om er überhaupt bij te kunnen blijven.

We zijn letterlijk van context veranderd en zijn van de stoel naar de grond gegaan. Er kwam een deken over haar hoofd, zodat er minder prikkels binnenkwamen en ze zich minder zichtbaar hoefde te voelen. Er speelde zachte muziek op een heel laag volume, niet om iets bijzonders op te roepen, maar als een rustige achtergrond. Kleine aanpassingen, misschien, maar ze veranderden wel de omstandigheden waarin ze haar ervaring beleefde.

Ik vind het mooi om te zien hoe anders een situatie kan worden wanneer we niet uitsluitend proberen te veranderen wat iemand voelt, maar ook aandacht hebben voor wat die persoon op dat moment nodig heeft. We kunnen lang praten over veiligheid, over vertrouwen en over het belang van contact maken met het lichaam. Maar soms zit de beweging niet in een inzicht of een goed gekozen vraag. Soms zit ze in de mogelijkheid om je even te mogen verstoppen, om minder prikkels binnen te krijgen of om niet voortdurend het gevoel te hebben dat je iets moet laten zien.

We hebben daar als volwassenen vaak weinig woorden voor. We zijn gewend om onszelf bij elkaar te rapen, door te zetten en te doen wat nodig is. Als we ergens bang voor zijn, proberen we die angst te begrijpen. Als we ons ongemakkelijk voelen, zoeken we naar een manier om ons weer op ons gemak te voelen. Maar misschien is er ook een andere mogelijkheid: dat we eerst mogen ervaren dat we niet meteen iets hoeven te doen.

Bij mijn cliënt ontstond er pas opnieuw ruimte voor contact en dialoog toen dit deel van haar zich voldoende veilig voelde. Niet doordat we het hadden overtuigd om mee te werken, maar doordat we de tijd hadden genomen om te ontdekken wat er nodig was. Van daaruit kon de sessie zich verdiepen op een manier die eerder niet mogelijk was.

En dat brengt me telkens opnieuw bij de vraag hoeveel er eigenlijk kan veranderen wanneer we minder haast hebben om iets te veranderen.

Veiligheid is soms iets heel concreets

We praten gemakkelijk over veiligheid alsof het een toestand is die je bereikt wanneer je voldoende vertrouwen hebt, je gedachten tot rust zijn gekomen of je je emoties kunt toelaten. Maar in de praktijk merk ik hoe concreet veiligheid soms kan zijn. De manier waarop iemand zit of ligt, het licht in de ruimte, het geluid op de achtergrond, de mogelijkheid om de ogen te sluiten of het gevoel even niet bekeken te worden. Dingen die op het eerste gezicht weinig met de inhoud van een sessie te maken lijken te hebben, kunnen plots heel belangrijk worden.

Dat betekent niet dat er voor iedereen een deken over het hoofd moet of dat een bepaalde omgeving automatisch veiligheid oplevert. Wat voor de ene persoon helpend is, kan voor iemand anders juist ongemakkelijk zijn. Het gaat er niet om dat we een vaste formule vinden waarmee we iemand veilig kunnen maken. Het gaat erom dat we blijven onderzoeken hoe deze ene mens deze ene situatie ervaart.

En daar zit voor mij een wezenlijk verschil tussen weten wat veiligheid betekent en afstemmen op wat iemand nodig heeft om zich veiliger te kunnen voelen. Het eerste kunnen we uit boeken leren. Het tweede vraagt dat we aanwezig blijven bij wat er zich voor onze ogen afspeelt, ook wanneer dat niet overeenkomt met wat we vooraf hadden bedacht.

Misschien is het ook daarom dat ik steeds minder geloof in een vaste volgorde waarin we mensen door hun proces moeten begeleiden. We kunnen kennis hebben, technieken beheersen en weten welke mogelijkheden er bestaan. Dat is allemaal waardevol. Maar geen enkele theorie kan ons vooraf vertellen wat er bij iemand zal gebeuren wanneer we een bepaalde vraag stellen, een oefening aanbieden of even helemaal niets doen.

We moeten blijven kijken. Soms ontdekken we dat iemand meer ruimte nodig heeft om te voelen. Soms dat er eerst meer afstand nodig is. En soms blijkt datgene wat we aanvankelijk als weerstand zagen, ons juist iets vertelt over de omstandigheden waarin iemand probeert om met een moeilijke ervaring om te gaan.

Dat vraagt van mij ook dat ik mijn eigen neiging om vooruit te willen bewegen in de gaten houd. Ik ben nieuwsgierig naar wat er onder de oppervlakte leeft, naar verbanden die zichtbaar worden en naar wat er mogelijk wordt wanneer iemand zichzelf op een andere manier leert ervaren. Maar mijn nieuwsgierigheid hoeft niet het tempo te bepalen waarin een ander dat allemaal ontdekt.

Misschien is het zelfs zo dat ik pas werkelijk ruimte kan geven aan wat er bij iemand leeft wanneer ik niet langer nodig heb dat er iets bijzonders gebeurt.

Wat iemand buiten de sessie meeneemt

Wat ik waardevol vind aan dit proces, is dat het niet beperkt hoeft te blijven tot wat er tijdens onze gesprekken gebeurt. Mijn cliënt kan gaandeweg ook ontdekken welke omstandigheden haar helpen wanneer ze buiten de praktijk duizeligheid of hoofdpijn ervaart, of wanneer ze merkt dat ze het overzicht dreigt te verliezen. Ze kan leren opmerken wat er in haar lichaam gebeurt en experimenteren met manieren om zichzelf wat meer rust en houvast te bieden.

Dat betekent niet dat ze voortaan elke lichamelijke sensatie op dezelfde manier moet aanpakken, of dat ze alles zelf moet kunnen oplossen. Het gaat eerder om het uitbreiden van de mogelijkheden waaruit ze kan putten. Misschien ontdekt ze dat ze op een bepaald moment behoefte heeft aan minder prikkels. Misschien helpt het om even te gaan zitten, de omgeving wat rustiger te maken of niet onmiddellijk een verklaring te zoeken voor wat er gebeurt.

Zo kan er stilaan meer vertrouwdheid ontstaan met haar eigen reacties. Niet omdat ze die allemaal onder controle krijgt, maar omdat ze meer mogelijkheden leert herkennen en niet telkens uitsluitend hoeft terug te vallen op de manier waarop ze het altijd heeft gedaan.

Ik vind dat een belangrijk onderscheid. We proberen iemand niet onafhankelijk te maken van elke vorm van ondersteuning, alsof het de bedoeling is dat die het voortaan allemaal alleen kan. We willen vooral dat iemand zichzelf beter leert kennen en meer vrijheid ervaart in de manier waarop die met het eigen leven omgaat.

En misschien begint die vrijheid niet bij het vermogen om altijd bij je gevoelens te blijven, maar juist bij het ontdekken dat je verschillende mogelijkheden hebt. Dat je soms dichterbij kunt komen en soms afstand nodig hebt. Dat je mag onderzoeken wat er in je leeft zonder dat je jezelf moet forceren om verder te gaan dan op dat moment haalbaar is.

Wat als je zelf in je hoofd kruipt?

Misschien herken je iets van dit verhaal bij jezelf. Je merkt dat je over een bepaalde situatie blijft nadenken, dat je alle mogelijke verklaringen afweegt of dat je telkens opnieuw hetzelfde gesprek in je hoofd voert. Je probeert te begrijpen wat er gebeurd is, wat de ander bedoelde of wat je zelf anders had kunnen doen. En hoe langer je nadenkt, hoe meer nieuwe vragen er lijken te ontstaan.

Je kunt dan eens nieuwsgierig worden naar wat er gebeurt wanneer je je aandacht niet langer uitsluitend bij die gedachten houdt. Niet om je hoofd stil te leggen, want dat is meestal niet iets wat je zomaar kunt beslissen. Maar om op te merken dat je ondertussen ook een lichaam hebt. Misschien voel je spanning in je buik, druk op je borst of onrust in je benen. Misschien merk je vooral dat je moeilijk stil kunt zitten. Of misschien valt er helemaal niets bijzonders op.

Je hoeft daar niet meteen een betekenis aan te geven. Je hoeft ook niet precies negentig seconden vol te houden, alsof er na die tijd vanzelf een inzicht verschijnt. Je kunt even bij een gewaarwording blijven zolang dat prettig en haalbaar voelt, en je aandacht weer naar de omgeving brengen wanneer dat beter voelt. Er hoeft geen ontdekking te volgen en je hoeft niet dieper te gaan dan je op dat moment wilt.

Misschien merk je dat je gedachten wat veranderen wanneer je aandacht ook naar je lichaam gaat. Misschien blijven ze gewoon doorgaan. Beide zijn mogelijk. Het interessante is niet of je erin slaagt om uit je hoofd te komen, maar of je iets meer begint op te merken van wat er allemaal gebeurt wanneer je met een situatie bezig bent.

Want soms willen we zo graag begrijpen waarom we doen wat we doen, dat we vergeten nieuwsgierig te zijn naar hoe het eigenlijk is om onszelf te zijn, precies op dit moment.

En misschien hoeft er dan even geen deur open. Misschien hoeft er niets naar boven te komen en hoeft niemand ergens bij te kunnen.

Misschien is het al voldoende om te ontdekken dat je niet altijd verder hoeft, dat je even mag blijven waar je bent en dat er meer mogelijkheden zijn dan je op het eerste gezicht dacht.

Soms begint een beweging pas wanneer we niet langer proberen om ze af te dwingen.

Vorige
Vorige

Trauma met een grote T of een kleine t?

Volgende
Volgende

Woorden die uitnodigen om te voelen